Foto bij H.59.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Tot vanmiddag.’ zegt Ammay terwijl ze onbewust met haar nagels over de rubberen uiteinden van haar fietsstuur krast.
Ik glimlach kort naar haar, strijk voorzichtig een dwarse lok haar achter haar oor terwijl ik verslaafd ben aan het zien van de moed in haar ogen.
‘Ik zie je dan. Jij bent iets eerder uit dan ik, maar fiets gewoon naar huis’, murmel ik, maar net verstaanbaar,’ Mam is er toch niet.’
Ik druk een kus op haar voorhoofd en schenk haar nog een glimlach, zo gemeend mogelijk.
Dan zwaait ze naar Evan - die terugzwaait - en zegt ze mij opnieuw gedag.
En ze dan fietst ze weg.
Ik heb er elke keer moeite mee dat ze zelf naar school moet fietsen, bang dat haar iets overkomt, maar het leven kan toch onmogelijk zo sarcastisch zijn om haar met een drugsdealende zus en mishandelende moeder om te laten komen in een auto-ongeluk?
Als ze ergens aan dood gaat, dan is het...
In een fractie van een seconde gaan alle alarmbellen in mijn hoofd af.
Maak die zin niet af.
Zelfs als ik het zou willen, zijn er veel te veel scenario’s om uit te kiezen.
Met een vermoeide zucht - meer zit er gewoon niet in - doe ik mijn helm op.
Tijd om te vertrekken.

Die dag heb ik het derde uur biologie en het vijfde uur wiskunde met Evan, maar de rest van de dag hebben we andere lessen.
We zijn na hetzelfde uur uit, maar hij komt snel nadat hij uit is naar mijn laatste lokaal toe lopen.
'Ik moet nog heel even iets bespreken over een of ander project met scheikunde, dus ik ben later klaar. Maar ga jij maar al vast.' zegt hij en ik knik, om de een of andere rede een beetje nerveus.
Hij gunt me een schuine grijns en ik glimlach terug.
Ik weet dat een aantal klasgenoten naar ons kijken, dat ze zich afvragen hoe het komt dat zo iemand als ik aan het praten ben met zo iemand als Evan, maar het lijkt hem niet uit te maken en om de een of andere rede voel ik mij daar schuldig over.
'Ik zie je zo.' zegt hij, maar het klinkt als een vraag, een verzoek om bevestiging, alsof hij wilt horen dat ik het begrijp.
Lijk ik zo afwezig?
'Oké. Is goed. Tot zo.' zeg ik, maar het onbehaaglijke gevoel van een eerste schooldag zorgt ervoor dat de woorden te snel mijn mond uit stromen.
Nog heel even kijkt hij mij bestuderend aan en knikt dan, loopt weg.
En ik doe hetzelfde.
Snel loop ik over het schoolplein.
Ik loop altijd te snel.
Nu iedereen over mij roddelt, iedereen weet om naar mij toe te komen als ze iemands leven willen verpesten, kan ik niet onopvallend de school door lopen.
Dus loop ik maar snel, zodat ik zo snel mogelijk uit het zicht kan verdwijnen, want wie niet in de massa op kan gaan moet snel zijn.
Zo snel mogelijk als nog veilig is haast ik mij met mijn motor weg van de school, richting huis, richting Ammay.
Maar dan zie ik dat de route die ik normaal gesproken neem afgesloten is en sta ik even stil.
Ik kan nu flink omrijden, of een binnendoor route nemen langs het bos; hetzelfde bos waar mijn huis staat.
Uiteindelijk kies ik ervoor om de korte weg te nemen, ook als dat de betekend dat ik eventuele oneffenheden of zelfs gaten in de weg zal moeten trotseren.
Dus ik neem een andere afslag en word aangenaam verrast dat de weg blijkbaar de laatste jaren verbeterd zijn.
Maar dan zie ik ze, in mijn achteruitkijkspiegel.
Iets verkrampt in mijn borst.
Het zijn Jonas, Fredrick, Jay en Reuben; een groep jongens wiens paden ik bij Engels en Frans kruis.
En misschien is het overbodig te zeggen dat ook zij geen fan van mij zijn, al weet ik niet wat ik hen ooit heb aangedaan, al weet ik niet wat ik iemand überhaupt heb aangedaan.
Wat ik wel weet is dat zij hier niet in de buurt wonen.
Ze hebben me gevolgd.
Ze volgen me.
En ze weten dat ik dat weet.
Ik versnel, maar rem na een tijdje toch weer af.
Zo goed kan ik nog niet rijden en deze weg is toch niet betrouwbaar.
Omdat zij al een motor hebben gekocht terwijl dat nog helemaal niet mocht, zijn zij al veel meer bedreven en moet ik aanzien hoe ze met zijn vieren dichterbij komen.
Mijn ademhaling versneld.
Wat gaan ze doen?
Wat heb ik hun ooit aangedaan?
Dan komt Jay naast mij rijden.
'Stap af.' zegt hij, net hard genoeg dat ik hem kan horen, maar niet zo hard dat de kille ondertoon mij ontgaat.
Ik antwoord niet, weet niet wat te doen.
Ik kan hem niet eeuwig blijven negeren, maar ik weet niet wat ik moet antwoorden.
'Luister', hoor ik hem boven het gegrom van de voertuigen uit,' Of je stapt zelf af, of we duwen je om en zeggen dat het een ongeluk was. Bij het een kan je dood gaan, bij het andere hebben we meer controle over hoe ver we gaan.'
Moet ik gewoon stil gaan staan en mijzelf af laten ronselen?
Wat zijn mij andere opties?
Als ze mij nu duwen, terwijl ik op een rijdende motor zit, zouden ze inderdaad een of ander verhaal kunnen ophangen over hoe ze mij zagen verongelukken en dat ze er zelf niets mee te maken hadden en bovendien ik zou misschien zelfs ernstig gewond kunnen raken - ook al is dat sowieso wel het geval.
Ik zou willen dat Evan tegelijkertijd met mij naar huis had kunnen gaan, dat ik nu niet alleen was, dat ik mij nu niet voor zou moeten bereiden op onvermijdelijke pijn, maar dat gebeurd niet en het hopen gaat dat niet veranderen.
Dus in alle paniek, alle verwarring, met alle mist in mijn hoofd, rem ik dan uiteindelijk.
En zodra ik mijn voet op de grond zet, weet ik dat dat misschien niet de juiste keuze is.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen