Foto bij H.61.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
'Over vierentwintig uur of zo, halen we haar gewoon weer op.' verteld Jay de anderen, maar vooral zichzelf.
En ze lijken hem blindelings te volgen.
Ik zie hoe ze weg beginnen te lopen, vastgebonden aan het hek.
Dit is ziek.
Ze laten mij achter.
'Alsjeblieft! Niet doen!' mijn stem klinkt hoog en schril.
Maar ze luisteren niet.
Ze gaan weg.
En ik blijf achter.

In het begin schreeuw ik nog om hulp, smeek en bid ik dat iemand mij kan horen, maar na een tijdje ben ik op.
Alles doet pijn.
Mijn longen werken niet meer mee.
Telkens raak ik kleine stukjes achter elkaar buiten bewustzijn.
Ik weet waarom ze dit doen.
Op een dag hebben ze besloten dat ze mij weg wilden hebben van hun school.
Dus begonnen ze mij te kwellen.
En toen ik niet weg ging, gingen zij door.
Maar ik kan niet weg, want dit is de enige school in de regio die niet betrokken genoeg is om op te merken wat er thuis gebeurd.
En dus ook niet dat ik gepest word.
Dus ik ga door met blijven en zij gaan door met... met hoe ze dit ook denken te noemen.
En nu zit ik hier, met tyraps vastgemaakt aan een hek in het bos, om een dag lang te verkleumen.
Misschien ga ik wel echt dood, zoals Jonas zich zorgen over maakte.
Maar Evan komt mij toch wel zoeken?
Mijn telefoon zit in mijn zak, maar mijn handen zijn vastgebonden.
Ik kan er niet bij.
Dan gaat hij af.
Zou het Evan zijn?
Zou hij doorhebben dat er iets aan de hand is?
Ik hoop het - ik hoop het zo erg.
Maar ik kan er niet bij om op te nemen en als ik dat toch probeer snijdt het plastic alleen maar pijnlijker in mijn huid.
En ik begin te huilen.
Het is het minst nuttige wat ik op dat moment kan doen, maar een heel ruim assortiment aan keuze heb ik niet en de tranen binnenhouden kost teveel moeite.
En dan hoor ik uit het niets een schreeuw.
Een schreeuw in totale paniek, in verblindende angst.
Heel even denk ik dat ik het ben, maar zo klink ik niet.
En volgens mij schreeuwde ik niet, al ben ik te uitgeput om helder na te denken.
Wanneer er opnieuw een roep klinkt en ik mijn naam kan onderscheiden, weet ik het zeker.
Er is iemand.
En diegene kent mij.
Ik wil opkijken, maar ik kan niet goed zien, niet nadenken.
Voetstappen komen dichterbij, te dichtbij.
Wat als ze terug zijn?
Opeens weet ik heel zeker dat ik liever zou willen dat ze mij de rest van de dag hier lieten wegkwijnen dan dat ze terug komen.
Maar dan raakt mijn bezoeker mij aan en weet ik wie het is.
Het is Evan.
Ik weet niet hoe ik dat voel door alleen zijn aanraking - of misschien vermoedde ik het eigenlijk al maar was ik niet in staat om een vaste gedachte te creëeren - maar het is hem.
Heel voorzichtig pakt hij mijn hoofd in zijn handen, draait het wat in zijn richting.
Achter die eeuwige vlekken herken ik hem.
Het is Evan.
Evan is hier.
Hij begint koortsachtig dingen te vragen en ik probeer te zeggen dat ik hem niet begrijp, dat ik zo bang ben, maar er komt alleen een onverstaanbaar gemurmel uit mijn mond, wat voor hem de boodschap ook over blijkt te brengen.
En ik kan alleen maar huilen.
En dan voel ik dat mijn polsen los worden gesneden.
Nu pas voel ik hoe ontzettend ik erin hing en ik zak op de grond in elkaar, wil wel overeind komen, maar faal hierin.
Evan trekt mij voorzichtig naar het hek toe en laat mij met mijn rug ertegenaan zitten.
Hij haalt een fles water uit zijn tas en begint de bloedende plekken waar de tyraps in mijn pols sneden schoon te maken, wat een prikkend en toch aangenaam verfrissend gevoel geeft.
Dan laat hij voorzichtig wat water over mijn gezicht lopen en het haalt mij wat meer naar de realiteit.
Het duurt even voordat ik weer redelijk kan zien en horen, maar uiteindelijk lijk ik stukken beter te functioneren.
Ik til voorzichtig mijn hand op terwijl hij voorzichtig probeert te bekijken wat hij voor mij kan doen en leg hem zwakjes op zijn wang, waardoor hij opkijkt.
‘Evan.’ zeg ik zachtjes, alsof ik bang ben dat hij verdwijnt als we niet met elkaar praten.
Hij legt zorgvuldig zijn handen op de mijne.
‘Gioa?’ weet hij gepikeerd uit te brengen,’ gaat het een beetje?’
Ik sluit kort mijn ogen en knik dan.
‘Hoe... hoe heb je me gevonden?’ vraag ik dan, verbaas mijzelf erover dat ik zo veel beter kan praten.
Hij slikt, probeert kalm te blijven, maar ik zie dat hij ook niet weet wat te doen.
‘Ik... ik passeerde Jonas en Jay en Fredrick en... Reuben, was het. Ze hadden het over je. Of het echt geen kwaad kon. En toen ben ik je gaat zoeken’, zegt hij en slikt, zijn stem trilt. Ik wil niet dat zijn stem trilt. Ik wil dat hij gelukkig is,’ Ik zag je motor aan de kant van de weg staan en ik... daarna hoefde ik alleen maar de tekenen van... van de worsteling te volgen.’
Hij sluit zijn ogen, knijpt ze bijna dicht terwijl hij zijn voorhoofd tegen zijn handen, met daarin de mijne, laat rusten.
‘En toen lag je daar’, prevelt hij’, en ik was zo bang dat... dat je iets ergs overkomen was. Dat je...’
Zijn woorden blijven steken in zijn keel en zijn stem sterft weg.
Dan richt hij zichzelf ineens op, alsof hij zich iets bedenkt.
‘Een ambulance. Ik moet een ambulance bellen.’ zegt hij snel, paniekerig, maar mijn schrille stem houdt hem tegen.
‘Nee!’ ratel ik en maak een halve beweging om overeind te komen, maar al snel zak ik weer terug,’ Niet... Ammay. Ik wil eerst naar huis. Dan gaan we wel naar het ziekenhuis. Eerst naar Ammay.’
Wetende dat ik niet ga kalmeren tot ik mijn zin krijg, knikt hij en geeft hij zich over.
‘Eerst heel even wachten. Oké? Je moet even rusten. Ammay redt zich echt nog wel eventjes.’ drukt hij mij op het hart en ik knik wat verduft.
Hij legt twee vingers onder mijn kin en draait mijn gezicht omhoog.
‘Oké, Gioa. Kan je goed zien?’ vraagt hij.
Ik weet niet hoe ik het moet beoordelen, kan niet verwerken wat hij vraagt.
Dan houdt hij een aantal vingers op.
‘Hoeveel vingers steek ik op?’ vraagt hij dan en dat ik er heel lang ernaar staar, proberend de twee door elkaar dansende beelden recht te krijgen, zegt genoeg.
‘Ik denk dat je... dat je misschien een hersenschudding hebt.’ realiseert hij zich en het woord klinkt vreemd.
Ik ben nog steeds in shock en ik kijk hem wat wazig aan.
Omdat Ammays beeld in mij opkomt en ik weet dat ik niet bij haar ben, wil ik automatisch opstaan, maar voorzichtig slaat hij zijn armen om mij heen, laat mij tegen hem aanleunen en mij even mijn spieren ontspannen.
‘Probeer eerst maar even bij te komen. Alles op zijn tijd.’

Reacties (3)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    2 jaar geleden
  • BethGoes

    ZOENEN ZOENEN ZOENEN ZOENEN!!!



    Misschien niet het gepaste moment, maar damn dat duurt lang! Love is already in the air!

    3 jaar geleden
  • Luckey

    Luister nu even naar hem
    Je hebt genoeg klappen gekregen

    3 jaar geleden
    • AmeranthaGaia

      En ik kan je ervan verzekeren dat er nog vele zullen komen.

      3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen