Foto bij Scar 5

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Chris is... eh... niet te vertrouwen. Dat je dat even weet,’ maak ik haar duidelijk en ze kijkt me vanuit haar ooghoek aan. Waarschijnlijk heeft ze die conclusie zelf ook al wel getrokken.
‘Jaloers?’ zegt ze haast plagerig, maar ik zie dat haar handen trillen, dat ze iets verbergt en dat haar glimlach nep is.
Ik breng de mok naar mijn mond en antwoord niet.

Uiteindelijk moeten we een patrouille doen door de zuidkant van de stad, wat ik prima vind, omdat het daar meestal rustiger is.
In plaats van elke seconde van elke minuut van elk uur op de weg en de buitenwereld te letten, werp ik een korte blik op Paige, die in de passagiersstoel zit. Ze heeft kippenvel.
‘Je hebt het koud,’ concludeer ik.
Verschrikt kijkt ze op. Ze lijkt even niet te begrijpen wat ik bedoel - of eerder nog: niet te begrijpen waarom ik me zorgen over haar zou maken, wat ergens diep binnenin voor een pijnlijke gons zorgt die ik maar net kan negeren.
‘Dat overleef ik wel,’ antwoordt ze schouderophalend, maar ik heb het idee dat ze dat gewoon zegt om sterker te lijken dan ze is, net zoals haar redelijk gevatte opmerking tegenover Chris, terwijl ik zag dat ze eigenlijk bang was om benaderd te worden.
Ik schud mijn hoofd, haal een hand van het stuur en gebaar ermee naar de achterbank.
‘Je bent je eigen jas vergeten. De mijne ligt ergens achterin. Pak die anders even,’ stel ik voor, maar ze schudt haar hoofd.
‘Hoeft niet, hoor. Ik red me wel,’ reageert ze snel - eigenlijk meer een ingestudeerd antwoord uit beleefdheid dan dat ze het echt overweegt.
‘Maar anders is hij zo alleen,’ probeer ik het met een grijns op te lossen. Ik heb nu al door dat zij niet iemand is die zelf om hulp vraagt, die überhaupt vindt dat die dat verdient. Misschien doe ik het nu wel helemaal verkeerd en maakt het haar ongemakkelijk, maar het is een soort reflex. Zij heeft het koud en ik heb een oplossing. Ik snap niet hoe dat onlogisch kan zijn. Misschien pak ik het wel helemaal verkeerd aan en is dit in haar ogen uiterst ongepast. Weet ik veel. Ik probeer ook maar wat.
Nathan, je bent een schat van een jongen, maar erg handig ben je niet. zei mijn moeder altijd. Ik was er altijd heel verontwaardigd over, maar nu zou ik alles doen om weer eenzelfde band met mijn moeder te krijgen. Ik zou dolgraag willen dat ze weer genoeg van me zou houden om met me te praten. Maar dat kan niet. Ik heb het verpest. En daar moet ik mee leven.
Paige stoot een soort lachje uit waarmee ze me terug bij de werkelijkheid haalt en ik voel gewoon aan dat ze met haar ogen rolt, ondanks dat ik haar niet aan kan kijken.
‘Prima, maar alleen omdat hij... anders zo alleen is,’ zegt ze en probeert mij met die laatste woorden te imiteren, al klink ik volgens mij - en misschien ook een beetje hopelijk - helemaal niet zo.
Dan pakt ze toch de jas en trekt hem wat onhandig aan.
‘Dankjewel,’ bedankt ze me zachtjes.
Ik haal mijn schouders op.
‘Geen probleem,' probeer ik haar gerust te stellen. ’Dus jij had in alle haast niet ontbeten? Ik rijd wel even naar de bakker, oké?’
Heel even is ze stil, in de spiegel zie ik weer die flits in haar ogen die zich afvraagt waarom ik aardig tegen haar ben en ik denk dat het komt omdat ze dat niet gewend is, ook al zou dat wel zo moeten zijn. Ik besluit er niet naar te vragen. Misschien zijn sommige mensen gewoon van nature wantrouwig, zeg ik bij mezelf, maar ik weet dat nu het geval niet is.
‘Oké,’ antwoordt ze dan.

Die avond breng ik haar ook weer naar huis, omdat ze anders zou moeten lopen en dan was het misschien nog wel handiger om gewoon op het bureau te blijven slapen. Als ik de straat van haar appartementencomplex binnenrijd, begint het van het een op het andere moment te regenen en ze lijkt wakker te schrikken van waar zij ook heen gaat als ze wegdroomt. Zo dicht mogelijk bij de deur zet ik de auto stil en ze trekt mijn leren jas uit. Maar dan, met haar hand al op de hendel van het portier, twijfelt ze.
‘Kom anders even mee naar binnen,’ stelt ze voor en ze lijkt zelf bijna net zo verbaasd als ik.
‘Dat hoeft niet. Ik zal je niet lastigvallen,’ antwoord ik met een lachje, maar ze schudt beslist haar hoofd.
‘Je hebt heel veel moeite voor me gedaan. Ik zou het echt heel erg vinden als je nu gewoon als een soort taxi weggaat. En anders ben ík zo alleen,’ zegt ze oprecht, maar bij dat laatste klinkt er een klein glimlachje door in haar stem.
‘Oké, maar hoe weet je zo zeker dat ik geen moordende psychopaat ben? Of zie je altijd het beste in mensen?’ vraag ik en wiebel melodramatisch met mijn wenkbrauwen.
Ze schiet kort inde lach - en het is een echte lach - waarna ze haar deur op een klein kiertje opent.
‘Integendeel. Ik neig juist alleen het slechtste te zien, maar je bent de eerste in een lange tijd die zo aardig tegen mij is, dus als je me toch besluit te vermoorden, weet ik dat je het in ieder geval heel beleefd doet,’ grijnst ze.
'Hoe precies vermoord je iemand op een beleefde manier?' vraag ik met een opgetrokken wenkbrauw.
Ze haalt haar schouders op. 'Weet ik veel. Jij bent hier de beleefde moordenaar, niet ik.'
'Misschien moet ik het op mijn cv zetten.'
Ze maakt een instemmend geluid en stapt uit. 'Kom je nou mee of niet, meneer de moordenaar?'
Heel even twijfel ik nog, maar dan stap ik uit.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen