Foto bij 5 Niet echt?!

Het is al zo lang stil. Zo stil dat ik mezelf bezig houd door met mijn tong af en toe te klikken om wakker te blijven. Ik ben zo moe en het blijft verschrikkelijk koud. Het is een eeuwigheid geleden dat ik nog een vampier gezien heb. Mijn ogen sluiten zich uiteindelijk en mijn hoofd knikt om te gaan slapen.
“AAA!” Een verschrikkelijke pijn doet me hard krijsen. Mijn hoofd bevindt zich in een zeer slechte, ijzeren greep. Mijn hart klopt bijna uit mijn borstkas door de alles verscheurende pijn. Ik probeer mijn nek te draaien maar merk hoe er tanden in verankerd staan. Niet dat de greep me toe laat om mijn hoofd te draaien. Ik roep opnieuw wanneer ik mijn ogen open doe. Er hangt wel degelijk een of andere vampier aan mijn nek en het doet verschrikkelijk veel pijn. Je kan het je niet voorstellen… Ik hef mijn knie bruut op, maar stoot enkel tegen een hoop stalen spieren. Dat doet me nog harder roepen. Ineens is de man van me af. Ik adem enorm hevig en ga opzoek naar de reddende engel; het is de leidinggevende man. Hij kijkt niet bepaald gelukkig en rolt het lichaam van de boosdoener met zijn linkervoet naar buiten. Ondertussen voel ik bloed tussen mijn borsten lopen. Mijn hand gaat automatisch naar daar waardoor ik al snel een natte hand heb. In ieder geval moet ik het bloeden stelpen… Als verpleegster is dat het enige wat ik nu kan bedenken, dat is best wel dom dus. Ik voel me afwezig en gepikeerd. De dunne man kijkt me nog steeds aan.
“Het spijt me zeer, maar ik ga het bloed moeten stelpen.” Er is geen enkel gevoel hoorbaar in die stem. Zijn ogen zijn pikzwart en gigantisch waardoor ik zelfs mijn hoofd schud; nee. Hij komt niet dichterbij. Ik roep als ik ineens armen rondom mijn lichaam voel… En hij is weer verdwenen. Aan de andere kant van een dichte celdeur staat de man. Mijn nek… Er vloeit geen bloed meer. Dit is onmogelijk. Mijn handen gaan in een angstige en snelle beweging over mijn hele nek. Er valt niets meer te vinden, enkel opgedroogd bloed. Iedereen is weg en mijn ademhaling bereikt langzaamaan een hoogtepunt. Ik hyperventileer en trek mijn knieën wanhopig naar me toe in een poging te kalmeren. Dit is niet echt, dit is niet echt, dit is niet echt. Het ruikt wel echt.
“Hier niet.” Een jonge vampier veegt net zijn handen aan een oude handdoek af terwijl hij het lichaam dat voor zijn voeten ligt, aan de kant duwt. Zijn groene ogen gaan opzoek naar zijn leider. “Ze is niet hier, Liam. We hebben geen geluk. Ze zit vast in Enfield.” Hoe vriendelijk de lange man het ook probeert te brengen, het lijkt niet te lukken. Liam stampt bruut een arm weg en geeft zijn mannen een brandende blik.
“Dan gaan we naar Enfield. Het is de laatste mogelijkheid.” Het klinkt bijna alsof de vampier spijt heeft van zijn keuzes. Toch heeft hij het pand vol afgeslachte wezens verlaten en is hij in een snelle auto alweer onderweg naar Enfield.
“Eet op!” Het is bijna niet nodig dat de vampier tegen me roept. Zijn stem is zo laag en luid dat zijn stemgeluid me meer in elkaar doet krimpen dan de klap die volgt. Ik neem echt geen eten aan van deze mensen, dat kunnen ze vergeten. In films zie je altijd wat voor dingen ze daar mee doen… Nee, bedankt. Ik overleef het vast nog wel eventjes, ze willen me duidelijk niet dood. Waar wachten ze op? Op Liam, die dan ook een vampier is, reageert en me komt redden? Ik begrijp zelfs niet dat dit Liams wereld is. Zo’n harde, vieze en genadeloze wereld. Geen wereld voor mij, in ieder geval. Ik negeer de roepende man en sluit hem volledig buiten. Zou Liams aard de reden geweest zijn dat hij niet met me wou afspreken buiten het bos? Komt hij zelfs in contact met mensen als hij…dat is. Dat dat tegen me roept, me in ijzeren grepen houdt en als het zich niet kan controleren mijn keel openscheurt.
“Abbey, kijk me aan.” Het is de leidinggevende kerel, ik negeer hem evenzeer; ook al is zijn stem zacht. “Abbey, we hadden afgesproken dat je blijft leven. Kijk me aan.”
“Ze luistert niet eens, Vin.”
“Durf me dat nog eens te noemen bij haar!” Alsof ik een of ander uitschot ben, spuwt hij de gemene woorden in het gezicht van zijn inferieur. “ABBEY.” Liam was grappig. Hij daagde me uit, ik daagde hem uit. Hoe kan hij niet menselijk zijn? Al onze gevoelens waren dat wel…
Vol geweld trapt Liam de deur van het duivelshol open. Aan het aantal bewakers te zien, is Abbey wel degelijk hier. Hij ruikt haar al, zwetend en bloedend. Die geur maakt hem gek en doet hem iedereen neermaaien die op zijn pad komt. Halverwege wordt hij tegengehouden door Zayn.
“Ze zijn met veel. Ik leid ze af, jij gaat naar beneden. We ontmoeten in de auto.” Hij zal haar geur volgen om te weten wanneer hij ook moet gaan, samen met de andere jongens uiteraard. Enkel als oude vampiers fluisteren ze op een frequentie die onhoorbaar is voor anderen. Liam knikt. Hij telt tot drie. Wanneer hij het geknak vak beenderen hoort, loopt hij samen met de jongere vampier naar beneden.

Vanaf hier worden de stukjes langer...en iets leuker (met Liam natuurlijk).

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen