Foto bij H7 Esmey

Ik had gewoon met de beste vriend van mijn vriendje gezoend. Ik had misbruik gemaakt van Mike en had daarmee nu misschien wel onze vriendschap voorgoed verpest. En Connor, wat zou hij denken als hij dit gezien had. Ik zadelde mezelf weer op met een schuldgevoel. Ik zou er later wel met Mike over gaan praten, hij zou de situatie waarin ik zat toch wel begrijpen?

Ik sloeg af in een verlaten straat. De huizen die hier stonden waren oud en stonden op het punt om gesloopt te worden. De huizen waren zelfs zo slecht dat de krakers ze niet meer wilde hebben. Het was hier compleet vertalen. Maar toch hoorde ik iets onder het ritmische gedreun van het neerkomen van mijn voeten. Het was het geklepper van papier door de wind. De straat hier was onverlicht, maar met mijn oren kon ik de plaats van het klepperende papier horen. In een stevige pas verliet ik de stenen straat en liep hier de modderpoel in op zoek naar het papiertje. Ik wist al wat het papiertje was, het was een vermist briefje. Maar ik wou weten wiens tijd het dit keer geweest was. Misschien was het zelfs iemand die ik kende. Het bouwhek kon niet ver meer zijn, het geklepper werd steeds harder en de grond steeds modderiger. Zelfs als ik niet gesnapt werd door mijn moeder zou ze aan mijn schoenen merken dat ik buiten geweest was. Op de tast probeerde ik te voelen of het hek nog erg ver was in het pikke donker, maar ik voelde niks. Heel voorzichtig trok ik mijn voet uit de modder en zette nog eens tap. Met mijn handen reikte ik naar het hek. Nog steeds niks. Ik boog een heel klein beetje naar voren en strekte mijn arm en vingers zo ver mogelijk uit. In het punten van mijn langste vinger kon ik het hek voelen. Heel voorzichtig zette ik nog een klein stapje. Waarna ik me stevig vast hield aan het hek. Wat ik alleen was vergeten was het bouwhek, het was oud en kapot waardoor er lang spijlen uitstaken. Een van die spijlen drong diep door in mijn huid. Heel voorzichtig trok ik mijnarm terug, maar ik voelde het al, ik bloedde. Het plakkerige spul droop over mijn arm heen. Maar het kon me nu niets schelen. Het geklepper kwam links van mij, maar mijn hand kon het briefje nog niet raken. Heel voorzichtig probeerde ik naar links te schuifelen en trok het briefje van het hek. Het was te donker om ook maar één letter te kunnen lezen. Ik zou moeten wachten tot de volgende lantaarnpaal. Zo snel als mogelijk was rende ik terug naar de stoep, uit de vieze modder die tot mijn enkels aan mijn broek kleefde. Hoewel ik nog steeds niks zag, wist ik dat aan het eind van de straat een lantaarnpaal stond. Op een net wat sneller jogtempo dan normaal rende ik erheen. Ik wist niet waarom ik ineens zo nieuwsgierig was, ik had immers die briefjes als honderd keer gezien. Elke keer opnieuw stond er een foto en een beschrijving van de vermiste persoon en als laatst een smeekbede om hun kind terug te krijgen. In het begin haalde de politie ze weg, maar het waren er nu zoveel dat ze ze maar lieten hangen. Er werd zelfs in reclames foto’s geplaatst zodat iedereen wist naar welke personen er gezocht werd.

Het was nog een paar meter totdat ik eindelijk het briefje kon lezen. Ik liep over van nieuwsgierigheid. Het licht van de lantaarnpaal werd steeds helder en was bijna genoeg om te lezen. Bijna, bijna, genoeg. Het eerst wat ik zag was dat het bloed over mijn hele arm naar beneden was gelopen. Kennelijk was de wond toch erger dan ik dacht. Nog een probleem erbij, nu zouden mijn bloedvlekken overal liggen als ik terug mijn kamer in klom.
Na mijn arm grondig bekeken te hebben, hield ik het papiertje in het licht, toen pas kwam ik erachter dat ik al die tijd het papiertje al andersom had. Niet dat het een verschil uitgemaakt had, ik had het toch niet kunnen lezen door het gebrek aan licht. Op het papier stond de naam van een meisje: Everleigh O’more, en ik herkende haar. Ze had bij mij op school gezeten. Ik was nooit echt bevriend met haar geweest, maar ik had het ook nooit geprobeerd. En nu was het te laat.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen