Ik heb al heel vaak op het punt gestaan om ons verhaal op papier te zetten, maar ik ben nooit verder gekomen dan het staren naar een knipperende cursor op het scherm. Waarom weet ik eigenlijk niet, komt het doordat ik weet dat jij ouder wordt en dat jouw verhaal eindig is? I don’t know, maar de punt van mijn pen staat op het papier, klaar om te beginnen. En wat is een beter begin dan ons begin? Onze eerste ontmoeting in het ziekenhuis?
Daar lag ik, in een groot, wit ziekenhuisbed, met een slangetje in mijn neus voor de nodige zuurstof. Versuft, bang en gedesoriënteerd. Wie zou dat niet zijn nadat hun ruggengraat chirurgisch was rechtgezet? Ja, ik had nu een plank in mijn rug, deze spast hoorde er helemaal bij. Welkom bij de club, kon ik mijn klasgenoten bijna horen zeggen.
‘Hallo, lieverd.’ Ik draaide mijn hoofd, wat een eeuwigheid leek te duren en zag mijn vader naar me kijken. Hij streek een vochtige haarlok van mijn voorhoofd en glimlachte. ‘Je eigen kamer, fijn hè? Lig je goed, wil je iets drinken?’
Ik schudde mijn hoofd en keek nadrukkelijk naar het dikke boek onder zijn arm. Harry Potter en de Relieken van de Dood.
Pap glimlachte. ‘Begrepen.’
‘Vind je het… erg?’ Ik herkende mijn eigen stem nauwelijks, zo zacht en schor, maar ik wilde het toch weten. De afgelopen dagen hadden mijn ouders niets anders gedaan dan voorlezen, allemaal om mijn zenuwen voor de operatie op een veilige afstand te houden.
Papa schudde zijn hoofd, ging zitten op een kleine stoel in de hoek van de kamer en begon.
Waar we precies waren in het verhaal wist ik niet, maar wat ik wel wist is dat ik begon weg te zakken in een dikke, witte mist.
Toen ik mijn ogen opende, zat ik in mijn rolstoel op de brug van de Houtjeslaan. Voor me zag ik het glinsterende meer en het wuivende riet. Mijn hart maakte een sprongetje, ik was thuis.
Ik haalde diep adem en genoot van de frisse lucht in mijn longen, toen ik in de verte iets zag bewegen. Het kleine zwarte stipje rende van links naar rechts en van rechts naar links, tot het opeens stilstond, alsof het mijn blik voelde. Toen kwam het recht op mij af.
Mijn ogen werden groot en ik voelde hoe het bloed stolde in mijn aderen, want wat op mij af kwam, kon ik niets anders omschrijven dan een wolf. Zijn zwarte haren stonden rechtovereind, zijn grote poten roffelden op het asfalt en zelfs van deze afstand zag ik zijn witte tanden gevaarlijk blikkeren.
Ik slaakte een gesmoorde kreet en trok de besturingspook met een ruk naar achteren, maar er gebeurde niets. Mijn rolstoel weigerde dienst.
De wolf, daar was hij. Hij gromde, zette zich schrap, sprong en met een gil verstopte ik mijn gezicht achter mijn handen.
Stilte.
Na tien geruisloze seconden gewacht te hebben, gluurde ik tussen mijn vingers door. Voor mij zat een middelgrote, zwarte hond, die mij met zijn zacht bruine ogen nieuwsgierig aankeek.
‘Sirius?’
De hond hield zijn kop vragend schuin.
Langzaam liet ik mijn handen zakken. Nee, dit was Sirius niet, ik had hem heel anders voorgesteld. Ruig en op zijn hoede. Daar had deze hond duidelijk geen last van, hij kwam naar me toe en snuffelde aan mijn hand, die ik nu langs mijn stoel liet hangen. Toen ging hij zitten, zijn houding had iets parmantigs en stouts.
Ik lachte en stak in een opwelling mijn hand naar hem uit. ‘Hallo, ik heet Robin en hoe heet jij?’
Zonder enige aarzeling legde de hond zijn poot in mijn uitgestoken hand. ‘Aangenaam kennis met je te maken,’ zei ik zacht.
De hond kwam naast me zitten, met zijn kont tegen mijn stoel gedrukt en keek naar mij op. Aai me, leken die ogen te willen zeggen.
Grinnikend krabbelde ik hem achter zijn oren, de randen waren kastanjebruin, net als mijn haren. ‘Weet je dat jij de eerste hond bent die naast mij durft te zitten? De meesten durven dat niet vanwege mijn rolstoel.’
De hond bleef zitten waar hij zat en ik bleef hem aaien. Het voelde vertrouwd, alsof we nooit anders hadden gedaan.
Opeens stond hij op en staarde naar een punt in de verte. Zijn houding was gespannen, alsof hij het onheil voelde naderen.
‘Wat is er?’
Mijn zwarte vriend rende weg, een paar meter bij mij vandaan. Tegelijkertijd voelde ik een steek van pijn in mijn rug en een vlaag van misselijkheid. ‘Wacht!’
Hij draaide zich naar mij om.
‘Laat me niet alleen, ik ben bang.’
Maar hij rende weg, een heuvel op waar hij zich nog een keer naar mij omdraaide en toen uit het zicht verdween.

Toen ik mijn ogen opnieuw opende, lag ik weer in het ziekenhuisbed en zat mijn vader nog steeds voor te lezen in de hoek.
‘Pap?’
‘Ja, schat?’
‘Kwam Sirius net in het verhaal voor?’
Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Nee, die is toch al heel lang dood?’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen