Foto bij H47: Levenden zijn waardeloos ~ Halatir

Ik lag op mijn bed naar het plafond te staren. Ik verveelde me dood. Ik was de baas, dus al mijn handlangers deden het werk, maar ondertussen ging ik wel dood aan verveling. Opeens kwam er een geniaal idee mijn hoofd binnen gevlogen. Ik schoot overeind en keek grijnzend door het raam. Het regende zacht, maar dat weerhield me niet van mijn plan: ik ging wandelen.

Opeens hoorde ik een jammerend geluid en ik keek met een ruk naar de kooi die daar in de hoek stond. De mannelijke Ho-o zag er triest uit en zijn verenkleed was dof, maar dat kon me niet veel schelen. De veren waren nog steeds prachtig en veel geld waard. Ik trok mijn schoenen aan en mijn jas terwijl ik zei: “Spoedig zullen je vrouwtje en jij herenigd worden… als opgezette wezens in de collectie!” Ik lachte gemeen en sloot de deur achter mij, de Ho-o alleen achterlatend.

Net toen ik de deur uit was, landde Yoko voor mij. “Grrr, menes? Net als ik wat wil gaan ontspannen?” zei ik geïrriteerd, maar ze zei enkel: “Ik weet waar Nick en Khana verblijven. En waar de vrouwelijke Ho-o is…” Meteen was ik geïnteresseerd en keek haar aan.
“Vertel verder.”
“Ze wonen aan de andere kant van Tokio, in de rustige buurt. De vrouwelijk Ho-o was ook bij dat huis en ze viel mij aan.”
“Haha, dat is een goeie, jij bent gevlucht voor een vogeltje?”
“Niet zomaar een vogel! Weet je wel hoe pijnlijk die snavel is?!”
“Ja, want dat mannetje heeft mij ook al gebeten. Maar, wanneer denk je dat je Nick en Khana kan vangen?”
“Geen idee, ik zal elke kans die zich voordoet gebruiken om een poging te ondernemen.”
“Dat is je geraden”, zei ik en liep dan de donkere straat in.

Ik wandelde een tijdje, toen opeens drie mannen mijn weg versperden. Ze grijnsden en keken me boosaardig aan, maar ik lachte enkel. Blijkbaar vatten ze dat als beledigend op, want ze kwamen dichterbij en lieten hun messen in het licht flikkeren. De eerste uithaal met het mes ontweek ik simpel. Ik pakte zijn hand vast en draaide die zo zodat zijn pols brak. De man schreeuwde het uit en liet het mes los, wat in mijn hand viel. Meteen zag ik de twee andere mannen twijfelen of ze me wel zouden aanvallen, maar ik stortte me met een grijns op de tweede man en sneed zijn keel over. Het bloed spatte in het rond en voor de derde man kon vluchten, had ik het mes in zijn hart gestoken. Ik trok het mes er terug uit en hij keek me aan, alsof hij nog niet kon beseffen dat hij al dood was.

Opeens hoorde ik de eerste man jammeren en ik draaide me om. Hij hield zijn gebroken pols tegen zijn lichaam en lag op de grond. “Ga”, gromde ik en meteen stond hij op, om dan te gaan lopen. Zodra hij drie seconden aan het lopen was, gooide ik het mes in zijn rug en hij viel neer. Ik lachte even en wandelde toen door, alsof er niets gebeurd was. Ja, ik had drie mannen gedood. Ja, ik had er tenminste één kunnen laten leven. Nee, ik heb het niet gedaan. Waarom? Omdat ik niet om levende wezens geef.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen