16.

Beach Haven, Maine (2024)

Cher Jones tuurde in de schaduw die de grote kersenboom met hangende takken in Audrey’s achtertuin wierp, haar aandacht getrokken door een witte vlek. Het nieuwe katje van haar jongste zoon moest uit een raam zijn geglipt en haar gevolgd zijn terwijl ze hierheen was gelopen om het huis te controleren.
      De sleutel in haar zak stekend dook ze onder het warrige web uitlopers en liep met lichte pas verder, ondertussen spiedend om zich heen kijken. Er was niets stils of maks aan Daiko en het had geen zin hem te roepen of te lokken; zodra hij de kans kreeg, zoefde de kleine pluisbal naar buiten en raakte verdwaald. Tot dusver had ze hem al een keer uit iemands garage moeten vissen, uit de achtertuin van de overbuurvrouw en een keer van de weg. Het enige voordeel was dat hij met zijn donzige witte vacht meteen in het oog sprong.
      Nog een lichte glimp lokte haar verder de struiken in, onder de zware takken van een den. Ze bleef een paar tellen staan om haar ogen aan de schemering te laten wennen. Haar geduld begon op te raken. De zon was net ondergegaan en de maan kwam op, zette het landschap in een zachte, botergele gloed, maar onder de boom was het bijna helemaal donker.
      Door een beweging aan de rand van haar blikveld draaide ze zich om en staarde ingespannen naar het overkapte terras aan de achterkant van Audrey’s huis. Een schrikkerig moment lang meende ze dat er iemand stond, maar toen er verder niets gebeurde, richtte ze zich weer op de struiken.
      Nog een beweging bij het terras en de vorm die ze had aangezien voor een dichtgeklapte parasol kreeg ineens betekenis. Er stond iemand in de beschutting bij de achterdeur, waar ze zelf zojuist had gelopen. Terwijl ze toekeek, keerde hij haar kant op en bestudeerde geconcentreerd de tuin. Zijn blik bleef hangen op de boom waaronder ze stond en ze bevroor: hij was naar haar op zoek.
      Op nog geen meter afstand ritselden er blaadjes en Daiko sprong onder een struik vandaan, zijn witte vacht haas fluorescerend onder de volle maan. Zijn rug kromde zich als een vraagteken toen hij de indringer zag en met een klaaglijk miauwtje schoot hij huiswaarts.
      De schimmige gestalte keek toe terwijl het dier onder het hek verdween. Er verstreken een paar tellen terwijl hij de tuin verder afspeurde; toen draaide hij zich om en liep de oprit op, iets metaalachtigs glinsterend in zijn hand.
      Korte tijd later klonk het vage zoemen van een motor en Cher ving een glimp op van rode achterlichten terwijl er een auto langsreed.
      Een moment lang bleef ze roerloos onder de spar staan. Toen ze eindelijk weer in staat was zich te bewegen, kwam haar ademhaling met horten en stoten. Onhandig wurmde ze zich door de takken. Er stak er een in haar wang en wortels grepen naar haar enkels. Zich door een verwilderde groep lelies heen werkend struikelde ze eindelijk een stuk open gazon op. In het maanlicht zag het terras waar de man had gestaan er griezelig helder uit.
      Met opeengeklemde tanden om ze niet te laten klapperen, deinsde ze weg uit het licht. Ze bleef in de schaduw en sloop langs de volle bloemborders, drong zich door een hek van hortensia’s en klauterde over het hek, terug naar haar eigen huis.

Lassiter, Louisiana

Audrey stapte haar hotelkamer binnen en deed de deur achter zich op slot. De stortbui was inmiddels afgezwakt tot grillige regenvlagen die werden opgejaagd door een veranderlijke wind en de wolken waren genoeg uiteengedreven om af en toe een glimp van de volle maan op te vangen. Ze liet haar tas en stok op de bank vallen en strompelde naar het keukentje om de Chinese afhaalmaaltijd neer te zetten die ze onderweg had gekocht.
      Ze ging door naar de badkamer, in het voorbijgaan overal het licht aandoend. Steun zoekend bij het badkamermeubel opende ze het kast, drukte twee pijnstillers uit een strip en slikte ze door met een slok water. Meteen welde er misselijkheid op. Grimmig hield ze haar lippen op elkaar en haar keel dicht.
      Wanneer de medicijnen straks begonnen te werken, zou ze wat strekoefeningen doen om de kramp in haar spieren te verlichten. Uit ervaring wist ze dat als ze dat niet deed, ze nog stijver zou zijn wanneer ze morgenochtend wakker werd.
      Terwijl ze het glas neerzette, ving ze een glimp van haar reflectie op in het spiegelbeeld. Haar ogen waren zo donker dat ze bijna zwart leken, haar lippen en huid bloedeloos. Ze zag er precies uit zoals ze zich voelde: ziek, uitgeput en leeg.
      Styles was een doodlopend spoor gebleken - hij kon zich haar niet herinneren - maar hij bestond tenminste, wat haar zoektocht rechtvaardigde. Zelfs als ze verder niets meer ontdekte, kon ze hem in elk geval van haar lijst met mysteries schrappen. Morgen zou ze naar de bibliotheek gaan om oude kranten door te nemen, te controleren of ze misschien toch nog details over het hoofd had gezien. Daarna zou ze naar de plek gaan waar ze was gevonden, om te kijken of daar iets haar geheugen kon opfrissen.
      Met trage, behoedzame bewegingen ging ze terug naar de keuken. Hoezeer haar maag ook rammelde, ze had geen trek in eten. Toch moest ze iets binnen krijgen, anders zou ze zich van de ontstekingsremmer en codeïne nog beroerder gaan voelen.
      Nadat ze aan de eettafel was gaan zitten, werkte ze traag de rijst en groenten naar binnen, nauwelijks proevend wat ze at.
      Het piepen van haar mobieltje maakte haar aan het schrikken. Ze legde haar vork neer. De afgelopen tijd was ze het doelwit geweest van een geobsedeerde fan - reden te meer om er een maand tussenuit te gaan. Wie de beller was, was haar een raadsel; hij had zich alleen voorgesteld als bewonderaar. Het plaatselijke politiebureau had geprobeerd hem te achterhalen, maar tot nu toe hadden ze alleen een lijst met mensen van wie de telefoons waren gestolen en een lijst met valse adressen en valse namen.
      Sinds hij net een paar weken nadat haar boek in de bestsellerlijsten was opgenomen was begonnen met bellen, had ze de nummers van zowel haar vaste als mobiel lijn laten veranderen en thuis nummerherkenning genomen. Ook had ze haar e-mailadres gewijzigd en liet ze nu alle fanmail rechtstreeks naar haar agent sturen, zodat het onmogelijk was rechtstreeks contact met haar op te nemen.
      Tegen de tijd dat ze haar toestel uit haar tas had gevist, had de beller alweer opgehangen. Audrey staarde naar het schermpje, dat meldde dat er zeven nieuwe voicemailberichten waren.
      Dit was de eerste keer vandaag dat ze de telefoon had horen overgaan, maar dat was niet zo verwonderlijk, want ze had hem in het dashboardkastje van de SUV laten liggen. Alle oproepen behalve deze moesten zijn binnengekomen terwijl ze niet in de auto zat en dat was het grootste deel van de dag geweest.
      Haar maag verkrampte. De telefoon was gloednieuw. Ze kende hier niemand en ze had haar nummer maar aan een paar mensen gegeven. Een van de berichten kon van Martin zijn, de eigenaar van het hotel of misschien van Styles, al had zijn houding er bij haar vertrek niet op gewezen dat ze ooit nog iets van hem zou horen. Maar dat zou maar twee berichten verklaren, niet zeven. Haar ouders en haar literair agent wisten waar ze logeerde en waar ze mee bezig was, maar van hen verwachtte Audrey geen oproep. Haar moeder had de vorige avond gebeld om te vertellen dat ze dit weekend weg zouden zijn, naar vrienden en Eileen, haar agent, was op reis voor een conferentie. Het was mogelijk dat haar buurvrouw Cher, die op haar huis paste, probeerde haar te pakken te krijgen, maar die zou alleen bellen in een noodgeval.
      Nadat ze het nummer voor de voicemail had gekozen, wachtte ze tot het eerste bericht werd afgespeeld. Bij het horen van de zachte stem van de beller bevroor ze, om na een paar tellen met een schokkerige beweging het bericht weg te drukken.
      Op de een of andere manier had de stalker haar nieuwe mobiele nummer weten te bemachtigen. Alweer. Te oordelen naar wat hij had gezegd, had hij ook haar geheime vaste nummer achterhaald en wist hij dat ze niet thuis was.
      Ze vergrendelde het toestel en legde het op tafel. Het liefst had ze het dwars door de kamer gesmeten, maar ze zou het ding nodig hebben. De rechercheur die zich met haar zaak bezighield, zou een bewijs van de oproepen willen krijgen.
      Met een zucht haalde ze haar adresboekje uit haar tas, zocht het nummer van de politie in Beach Haven op, pakte haar telefoon weer en toetste de cijfers in. Toen er werd opgenomen, vroeg ze te worden doorverbonden met rechercheur Muller ‘s toestel en sprak een boodschap in.
      De intimidatie was aan het escaleren. Tot nu toe was het stalken beperkt gebleven tot brieven en telefoontjes, allemaal op zich onschuldig, behalve dat het er zoveel waren: dertig brieven inmiddels en ruim honderd telefoontjes en het eind was nog niet in zicht.
      Muller had haar gewaarschuwd dat als de stalker zoveel moeite deed om haar schriftelijk en telefonisch te bereiken, hij waarschijnlijk ook wel zo ver zou gaan om haar adres op te sporen. Audrey had geen bewijs dat hij bij haar huis in de buurt was geweest, maar de gedachte dat hij er minstens langs was gereden, bezorgde haar de kriebels. Haar enige troost was dat, zelfs als de stalker wist waar ze woonde en dat ze weg was, hij niet kon weten waar ze zich nu bevond.
      Terwijl ze haar mobieltje dicht klapte, ging het vaste toestel op het nachtkastje over.
      De adrenaline gierde door haar heen, tot haar gezonde verstand terugkeerde. Het was waarschijnlijk de receptie die wilde weten of de kamer in orde was.
      Het idee dat de stalker haar op de een of andere manier had gevonden ging overboord en ze nam op. Door de maanden van onwelkome telefoontjes had ze zich aangewend niets te zeggen voordat de beller sprak. Het holle geluid van de verbinding zoemde terwijl degene aan de andere kant van de lijn ook wachtte; toen werd de verbinding met een zachte klik verbroken.
      Een poosje bleef ze als bevroren zitten terwijl de rillingen over haar rug liepen.
      Er was niets gezegd, maar er was wel degelijk iemand geweest; als het niet de receptie was, dan iemand die haar naam kende, want het gesprek was doorverbonden naar haar kamer. Het viel natuurlijk niet uit te sluiten dat het een vergissing was, dat de beller, van zijn stuk gebracht door de stilte, simpelweg had opgehangen. Alleen zou ieder mens het hebben nagevraagd en deze persoon had dat niet gedaan. Audrey had niets gehoord, wat op zichzelf al griezelig was. Geen achtergrondmuziek of gebabbel, geen luchtgeruis, alleen maar stilte, alsof de beller zijn adem had ingehouden.
      Of zijn hand over het mondstuk had gelegd.
      Audrey liet de hoorn in de haak vallen en pakte hem direct weer op om de receptie te bellen. “U hebt zojuist een gesprek naar mijn kamer doorverbonden. Weet u wie het was?”
      De stem van de vrouw klonk beleefd. “Wij schakelen alleen maar door, ma’am, we vragen geen namen.”
      Audrey zoog haar longen vol en probeerde kalm te blijven. Ze had maanden van treiteren verduurd; ze weigerde in te storten om gewoon het zoveelste telefoontje. “Is er bij naam naar me gevraagd?”
      Toen de receptioniste bevestigend antwoordde, klemde Audrey haar hand steviger om de hoorn. “Was het een man of een vrouw?”
      Het bleef even stil. “Wilt u misschien zeggen dat u een vervelend telefoontje hebt gehad, ma’am?”
      “Ja.”
      “Het was een man. Ik weet niet wie hij was, hij noemde geen naam. Momentje graag.”
      Het geluid viel grotendeels weg, op wat gesmoord geroezemoes na terwijl de vrouw met iemand overlegde. “Hier is Martin” zei ze toen.

Vijf minuten later scheelde het weinig of Audrey barstte in woede uit. Martin was halverwege de vijftig, klein en gedrongen en zo zuur als bedorven melk. “Wat ik wil is simpel. Niemand meer doorverbinden en ik wil graag een andere kamer.”
      In degene waarin ze nu zat, was ze te kwetsbaar. De voordeur en de huurauto waren vanaf de weg zichtbaar. Ze wist niet of het telefoontje verband hield met de stalkende fan of het plaatselijk was of uit een andere staat kwam, maar ze wilde geen enkel risico lopen.
      Martin was niet blij met haar verzoek. Ze had zowel zijn avondeten als zijn favoriete televisieprogramma verstoord, maar hij stemde schoorvoetend in haar over te plaatsen naar een wat meer afgeschermd deel.
      De nieuwe kamer was een exacte kopie van die waar ze uitkwam, maar hij lag aan het eind van het complex, naast een gereedschapsloods en had als bonus een kleine carport voor de SUV. Binnen een half uur had Audrey zich geïnstalleerd, de ene koffer die ze bij zich had uitgepakt en haar bescheiden voorraad ontbijtspullen in het keukentje opgeborgen.
      Martin had haar de sleutel overhandigd, zijn blik gereserveerd terwijl hij met veel misbaar de ruimte controleerde en tegelijk haar bezittingen. Zijn ogen waren blijven hangen op haar laptop en Audrey had haar kaken op elkaar geklemd. Je hoefde geen genie te zijn om te merken dat hij achterdochtig was. Toen ze was gearriveerd, was ze keurig gekleed geweest en nu droeg ze een flodderige kleren van het goedkoopste soort, had ze een goedkope synthetische tas en ontving ze vervelende telefoontjes.
      Hij knikt naar haar agenda, die naast haar mobieltje op tafel lag. “Dames van plezier zijn niet welkom in Palm Court.”
      Audrey deed geen poging het ongeloof in haar uitdrukking te verbergen. Ze was wel het meest onwaarschijnlijke voorbeeld van een ‘dame van plezier’ dat ze zich kon voorstellen. Ze zou niet zeggen dat ze een hekel had aan seks, maar ze zou nooit een bar in stappen om ernaar te zoeken. Koel nam ze Martin op.
      “En hoe zou je een ‘dame van plezier’ precies definiëren?”
      Voordat Martin antwoord kon geven, haalde ze een boek uit haar koffertje en liet die op de salontafel vallen. “Hiermee verdien ik mijn brood.”
      Hij pakte het op en draaide het om. “Je schrijft boeken?” vroeg hij als ze net had gezegd dat ze doodgraver was.
      “Ik ben hier om onderzoek te doen.” Dat dat onderzoek niets met haar werk te maken had, hoefde hij niet te weten.
      Zodra ze de deur achter de hoteleigenaar had dicht gedaan, pakte ze haar mobieltje om de politie van Lassiter te bellen en ze werd doorverbonden met ene rechercheur Manet. Ze wilde meer weten over het telefoontje naar het hotel en de enige manier om erachter te komen waar het vandaan was gekomen, was het door hen te laten natrekken. Als het uit de buurt kwam, dan zat ze in de problemen.
      Manet was beleefd maar weinig behulpzaam. Hij was bereid de oproepen naar zowel haar mobiele nummer als dat van haar kamer te laten traceren, maar dan zou ze eerst persoonlijk langs moeten komen om formeel aangifte te doen. Zelfs dan kon hij nog niets beloven. Kennelijk was telefoon criminaliteit wijdverbreid en het opsporen van de beller zou waarschijnlijk toch nergens op uitdraaien.
      Op de een of andere manier wist Audrey haar razernij te bedwingen. Ze maakte een afspraak voor de volgende middag en hing op.
      Nadat ze had gedoucht, kroop ze in bed, maar ze lag in het donker te malen, te opgefokt om te slapen. Haar maag brandde, maar in elk geval waren de medicijnen inmiddels gaan werken.
      Een vage herinnering kwelde haar. Ze lag als kind naar een ziekenhuis plafond te staren. Ze had zoveel operaties gehad dat ze de tel was kwijtgeraakt, maar ze was nooit vergeten hoe het was om gevangen te zitten in een lichaam dat niet normaal functioneerde.
      In een impuls pakte ze de hoorn van de haak. Er was in elk geval één bron van spanning die ze kon vermijden. Martin had beloofd niemand door te verbinden, maar ze kon er niet zeker van zijn dat hij het aan al zijn personeel had doorgegeven.

Reacties (2)

  • FollowYourDream

    Wow wat eng! Arme Audrey!

    Ik ga gauw het volgende hoofdstuk lezen (:

    Xxx

    2 jaar geleden
  • Manonxxx

    Jezus, zou echt helemaal gek worden.
    Snap zo'n mensen echt niet.

    Hopelijk was de beller gewoon Harry. Hihi

    Snel verder xx

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen