18.

(2024)

Hij parkeerde onder een schaduwrijke boom, sloot zijn auto af en bestudeerde de imposante gevel van de bibliotheek van Lassiter. Nadat hij een honkbalpetje laag over zijn voorhoofd had getrokken, zette hij een dikke hoornen bril op, controleerde of zijn snor goed zat en wandelde de breed uitwaaierende treden op, de hal in.
      Binnen was het koel en schemerig. In een hoek van de ruimte werd aan kinderen voorgelezen; het gemurmel van het verhaal was nauwelijks verstaanbaar boven het geloei van een baby en het gekraai van een mollige peuter die boeken van de planken trok.
      Een geplaagde jonge moeder en de bibliothecaris die de balie had bemand, doken op hem af voordat hij de hele kast leeg had, en even werd de stem van de verteller volledig overstemd door de krijsende peuter.
      Toen de medewerkster de man aan de balie zag staan, kwam ze haastig op hem af, met blozende wangen.
      Op zijn verzoek selecteerde ze de microfilms die hij wilde zien, waarbij ze amper naar hem opkeek omdat ze de peuter in de gaten probeerde te houden, die alweer op strooptocht was.
      Hij tekende voor de microfilms en liep de kamer in die ze had aangewezen: een kantoortje aan de zijkant van het gebouw, met uitzicht op het parkeerterrein. Hij nam plaats, legde de eerste spoel in het apparaat, opgelucht dat de vrouw weinig aandacht aan hem had besteed. Als ze hem al had opgemerkt, zou ze zich niets anders herinneren dan een middelbare man met een bril en een snor.
      In de eerste film bladerde hij door edities tot hij bij de dag na Audrey’s ongeluk kwam. Hij las het korte artikel waarin werd gemeld dat een ongeïdentificeerd meisje dood was aangetroffen, waarschijnlijk slachtoffer van een aanrijding waarbij de bestuurder was doorgereden.
      De kou kroop in zijn lijf, en hij leunde achterover. Dit was het stuk dat hij al die jaren geleden had gezien - en had geloofd. Toen hem eenmaal duidelijk was geworden dat Audrey was overleden, had hij geen moeite gedaan meer details te achterhalen. Wat hem betrof viel er verder niets te rapporteren: dood was dood.
      Met starre bewegingen bladerde hij naar de volgende dag en begon het nieuws door te nemen. Zijn blik bleef hangen op het hoofdartikel, en zijn kaken verstrakten terwijl hij zijn pen pakten en de namen opschreef van de mensen die zich met Audrey’s zaak hadden beziggehouden.
      De chirurg had hij al nagetrokken. Kuipers was twee jaar geleden gestorven, dus hij speelde geen rol meer. Het leek hem onwaarschijnlijk dat iemand licht kon werpen op wie Audrey was, want dat zou vijfentwintig jaar terug bij het onderzoek door politie en kinderbescherming naar voren zijn gekomen, maar je wist nooit wanneer een klein puzzelstukje het plaatje completer kon maken.
      Hij bladerde naar de volgende editie en vond een onthullend interview dat was afgenomen door Damian Campbell, destijds beginnend verslaggever. Een beknopt karakterstuk over een van de ambulancebroeders die op de plek van het ongeluk was geweest. Kennelijk had Aaron Walsh, die de reputatie had wonderen te kunnen verrichten als het op reanimeren aankwam, stug volgehouden, ondanks het feit dat Audrey geen polsslag meer had gehad. Door zijn volharding was ze net voordat ze Lassiter General hadden bereikt weer begonnen met ademen. Eenmaal in het ziekenhuis had hij geweigerd naar huis te gaan, was hij bij haar gebleven tot ze de operatiezaal in werd gereden. Aaron Walsh had haar leven gered, en bij gebrek aan familie om zich over haar te ontfermen, had hij zich verantwoordelijk voor haar gevoeld.
      Er stond een fotootje van Walsh bij de tekst: een pezige man met een volle bos grijs haar en een lange, smalle, Franse neus.
      Er verscheen een frons tussen zijn wenkbrauwen. Straks eerst maar eens kijken of die Walsh nog leefde. Toen hij Audrey had gered, had hij op het punt gestaan met pensioen te gaan. Met een beetje geluk was hij nu, vijfentwintig jaar later, inmiddels wel dood.
      Ook zou hij natrekken of Damian Campbell nog steeds in Lassiter werkte. Hij had eenmaal een fout gemaakt, en het onafgewerkte daadje dat Audrey was geworden, dreigde nu het leven te ontwrichten dat hij zo zorgvuldig had opgebouwd. Deze keer zou hij niets achterlaten wat hem in verband kon brengen met die armoedige deel van het zuiden - of met Audrey Callaghan.
      Behoedzaam haalde hij de spoel uit het apparaat en veegde er met een zakdoek de vingerafdrukken af, waarna hij methodisch de resterende begon te bekijken. Toen hij klaar was met lezen en notities maken, controleerde hij nogmaals of alle films schoon waren, en in een impuls legde hij de eerste nog eens in het apparaat. Terwijl hij naar het verhaal scrolde dat hij opnieuw wilde doornemen, werd hij afgeleid door een voertuig dat het parkeerterrein van de bibliotheek op draaide.
      Zijn polsslag versnelde toen hij zag dat het een zilverkleurige SUV was, hoewel hij niet perse van Audrey hoefde te zijn. De wagen kwam tot stilstand, en hij ving een glimp op van het kenteken. De stoel achteruitgeschoven stapte hij weg van het raam, net ver genoeg om te kunnen kijken zonder gezien te worden.

Audrey haalde haar sleutel uit het contact, opgelucht dat ze een rustige, neutrale plek had gevonden om de middag door te brengen. Haar aangifte was opgenomen, en de inbraak in haar huis werd onderzocht; het enige wat ze nu nog kon doen, was afwachten. Hoe verontrustend het ook was, het voorval had op geen beter moment kunnen komen, want het had bij de autoriteiten tot grotere urgentie geleid om de stalker op te sporen. De dader was geëscaleerd van intimidatie naar inbraak, en Cher was er zeker van geweest dat hij een vuurwapen had, waardoor de zaak nog meer gewicht kreeg. Bovendien hadden Manet en Muller nu Cher’s ooggetuigenverslag om haar verhaal te steunen.
      Bij de balie wachtte ze op de bibliothecaresse, die druk was met toezicht houden op iets wat leek op een voorleesuurtje voor kinderen. De ruimte wemelde van de peuters en jonge moeders. Haar blik werd getrokken door een jongetje dat vastberaden was aan zijn moeder te ontsnappen. Met een gil wurmde hij zich los uit haar greep en rende pal tegen het been van een man op. Een grote hand reikte omlaag om hem in evenwicht te houden. De onderlip van het joch trilde, maar voordat hij in tranen uit kon barsten, tilde zijn moeder hem lachend op.
      Even bleef Audrey verdoofd naar de mooie vrouw en het mollige kereltje staan staren. Terwijl de moeder hem op een heup zette en naar buiten liep, stak het jongetje zijn duim in zijn mond en begon erop te sabbelen, zijn uitdrukking dromerig, en Audrey ervoer een plotse steek van verlangen. Dat verlangen verraste haar haast evenzeer als de eerdere seksuele opwinding. Kinderen waren nooit serieus ter sprake gekomen tussen haar en Dylan. Het had altijd verstandiger geleken te wachten met een gezin tot een hypotheek was afbetaald of Dylan de promotie had gekregen waar hij op uit was, en achteraf gezien was Audrey er blij om. Als ze een kind hadden gekregen, zou ze nog jarenlang aan Dylan hebben vastgezeten.
      Het leek erop dat vandaag een dag van emotionele hoogte- en dieptepunten was. Overal waar ze kwam, alles wat ze zag, raakte een snaar, alsof ze hier, in haar ‘eigen’ stad, gevoelig was voor elke nuance. Ze had gehoopt dat ze in Lassiter het verleden af kon sluiten, maar haar reis leek het tegenovergestelde effect te hebben. Het verleden bleef ongrijpbaar, net zo blanco als voorheen; het was het heden dat overhoop werd gehaald.
      Het zachte zoemen van een telefoon trok haar aandacht weer naar de balie. Ze wachtte tot de oudere dame met een gebeeldhouwd bobkapsel en een naamkaartje ophing en vroeg toen naar microfilms van oude kranten uit de week na haar ongeluk.
      “Het apparaat is nog bezet, momentje graag.” De vrouw liep naar een kamertje dat aan de hoofdzaal grensde en kwam weer terug met een verbaasde uitdrukking op haar gezicht. “Die meneer is zeker al klaar. Raar, ik heb hem niet weg zien gaan.”
      Met kordate bewegingen haalde ze een register onder de balie vandaan en legde dat geopend voor Audrey neer. Ze liet haar vinger over de bladzijde glijden. “Goh, dat is ook toevallig. Mr. Barney heeft zojuist precies dezelfde documenten opgevraagd.”
      Audrey verstarde en keek toe terwijl de bibliothecaresse een metalen lade opentrok en in een doos begon te rommelen. Misschien was ze cynisch, maar ze geloofde niet in toeval. Mr. Barney was net zo’n nepnaam als Mr. Smith.
      “Ze liggen er niet bij. Ik heb hier maar een deel van dat jaar, en van het jaar daarna.” Ze zocht opnieuw en fronste. “Onvoorstelbaar. De spoelen hadden hier weer moeten worden ingeleverd. Het kan zijn dat Sarah ze verkeerd heeft opgeborgen, maar ze is anders nooit zo slordig.”
      “Vindt u het goed als ik even in de kamer kijk? Misschien liggen ze daar nog.”
      “Gaat uw gang.”
      Nadat Audrey met wild bonkend hart de kleine ruimte had afgespeurd, nam ze plaats aan de tafel. De stoel was nog warm, net als het apparaat.
      En er zat ook nog een spoel in.

Reacties (2)

  • FollowYourDream

    Oh wat spannend!
    Ze heeft haar stalker / moordenaar op een haar na gemist..
    Hopelijk heeft hij nog enkele sporen nagelaten zodat ze hem kan beginnen zoeken!

    Echt een topverhaal!

    Xxx

    2 jaar geleden
  • Manonxxx

    Dat was haar stalker, toch?
    Snel verder aub
    Xx

    2 jaar geleden
    • Smexy

      Dat was inderdaad haar stalker. x

      2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen