Foto bij De Grens [5]

. Ik denk aan de vrijheid die ik ben verloren en de vrienden die ik ben kwijtgeraakt, allemaal omdat moeder dat wilde. Mijn hoofd vult zich met beelden van dieren die angstig wegrennen, kermend van de pijn. Veroorzaakt door mij. Ik proef een bittere smaak in mijn mond. Dat wil ik niet, niet nog een keer.
Een natte hondenneus laat me opschrikken. Vriend staat voor me, met zijn voorpoten op mijn knieën. ‘Dag maatje.’ In een opwelling pak ik hem vast en druk mijn gezicht in zijn dikke vacht.
‘Je bent er!’ Als ik opkijk, zie ik Vos zijn stralende ogen. ‘Ik was bang dat je niet zou komen.’ Hij gaat naast me zitten en steekt direct van wal. ‘Ik wist niet wat die scherm kon doen, Lily, echt niet, dan had ik hem nooit opgeraapt. Het was een opwelling, ik…’ Zijn ogen vernauwen zich. ‘Wat is er?’
Ik geef Vriend nog een laatste aai, sta dan op en zet een stap in het zonlicht. Het heeft direct effect: ik voel de brandende pijn in mijn en kan mijn gezicht bijna horen sissen.
‘Wat ben je aan het…? Holy olie!’ Vos rent naar me toe en trekt mij ruw terug de schaduwen in.
Hij raakt met grote ogen mijn wangen aan, die gelukkig direct weer normaal aanvoelen. ‘Wat gebeurde er? Ben je in orde?!’
‘Een ideetje van mijn moeder,’ zeg ik terwijl ik weer op de boomstam ga zitten. ‘ik kan het bos niet meer verlaten zonder dat de zon mij verbrand. Letterlijk.’
‘Dat mens is gek,’ zegt Vos zacht. Hij springt op en begint te ijsberen. ‘Nee, dat mens is gestoord! Jij kunt hier niet blijven, je gaat met mij mee, ik…’
‘Jullie kunnen hier niet meer komen.’
Hij staat abrupt stil. ‘Wat?’
‘Jullie kunnen hier niet meer komen’, reageer ik opnieuw, ‘het is te gevaarlijk.’
Vos knippert een paar keer met zijn ogen. ‘Te gevaarlijk voor ons? Jij bent degene die levend verbrand wordt.’
‘Je snapt het niet,’ ik bijt op mijn lip, ‘ik wil jullie geen pijn doen.’
Hij lacht. ‘Dat zou jij nooit doen.’
‘Wel als moeder het van me vraagt, ik heb het eerder gedaan.’
Ik hoop half dat die woorden hen zullen afschrikken, maar Vos komt weer naast me zitten. Hij haalt zijn schouders op. ‘Vrienden laten elkaar niet in de steek.’
Ik slik, mijn ogen beginnen te prikken. Mijn hoofd bonkt en tolt, ik weet niet meer wat ik moet denken of voelen. Ik wil alleen dat dit ophoud.
Vos veegt een traan weg die aan mijn onderdrukking is ontsnapt en pakt mijn handen vast. ‘Toen ik jou hoorde roepen in die kelder,’ begint hij, ‘wilde ik niets liever dan je helpen, maar ik wist niet hoe, ik wilde alles niet nog erger voor jou maken. En torn was er die stem.’
‘Stem?’
Vos krijgt een kleur. ‘Ik weet dat het bizar klinkt, maar een kleine blauwe vogel waarschuwde me dat ik dat niet moest doen, dat ik het vertrouwen van jouw moeder moest zien te winnen.’
Nu ben ik degene die hem met grote ogen aanstaart.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen