||Forrest||


||Esmée Anne Platt Evenson Cullen.



Edward en Bella had ik er al over gehoord, een nieuw soort geur dwaalde er door de bossen. De twee waren al op onderzoek uit geweest maar hadden tot op heden de persoon die bij de geur hoorde niet gevonden. Ze hadden het gelaten, het was niet bedreigend voor de familie en of voor hen dochter: Renesmee Carlie Cullen.
De geruststellende ogen van mijn man: Carlisle Cullen voelde ik op de zijkant van mijn gezicht branden.
Hij had de omgeving samen met mijn adoptiezoon: Emmett en adoptiedochter: Rosalie uitgekamd, geen mens in de buurt dus de jacht kon beginnen.
Met een ingenomen glimlach sloot ik mijn ogen, spitste ik mijn oren en snoof mijn neus, na even had ik mijn prooi geroken. Stoof ik met een snelheid van jewelste het bos door. Sprong over struiken, stenen, takken en boomstammen. Achter een dikke brede Den bleef ik staan.
Op zo'n driehonderd meter stond een hert te grazen, alleen, zonder zijn roedel.
Dit was mijn kans, zo stil en geruisloos vloog ik op het dier af, nog voordat het dier goed en wel doorhad dat hij had moeten weg sprinten had ik mijn armen al om het dier geklemd en mijn tanden in zijn weerloze lange harige nek gezet. Het bloed voelde ik als limonade mijn keel binnen stromen, de vlammende stekende droge keel, te sussen.
Voor even, genoot ik van de zachte smaakt van hert, tot het een leeg omhulsel was.
Met een dreun belandde het dier op het gras, wreef mijn mond schoon bekeek het setje kleren, schoon. Zoals altijd, netjes, raapte ik het dier op en stortte het de afgrond in. De wind begon te draaien, langzaam, de geur van Carlisle die op zo'n vier kilometer van mij af aan het jagen was, vulde mijn neusgaten. Net zoals de geuren van Rosalie en Emmett die zich leek te vermaken met zijn grizzly's in de bergen.
Maar naast deze drie bekende geuren waaide er nog een geur.
Sterk, menselijk, maar ook tegelijk de tijd zo zoet als dat van een vampier.
De andere waren toch nog aan het jagen, ik kon best wel voor heel even achter de geur aangaan.
Stoof als een roofdier dat ik was door de struiken heen, zigzagde tussen de dikke brede hoge bomen en stopte op een paar honderd meter met rennen. Een diep grauwend geluid van een panter vulde mijn gehoorgangen, naast het gegrom van het dier rook ik die zoete menselijke, vampier achtige lucht. Het was close, dichtbij, zo dichtbij dat ik mij afvroeg of ik nu niet in het jachtgebied was van deze persoon.
Na een gil gehoord te hebben, zette ik het op het rennen, verderop tussen de bomen door zag ik een jong meisje: een lichte blanke huidskleur zoals die van Renesmee, mijn kleindochter. Een tenger, elegant, sierlijk figuur, klein van stuk. Haar sierlijke golvende lange Lightcoral gekleurde haren danste als een poppenpruik op haar hoofd. Ik kon haar oogkleur, gezicht niet zien doordat ze met haar rug naar mij toe gedraaid stond.
De grote donkere zwarte panter, stond hoog breed op zijn poten.
Grauwend, grommend, uithalend naar het jonge ding.
Een drang dat ik het meisje wil beschermen was daar. Op het moment dat ik mij klaarmaakte om te willen springen voelde ik een ijskoude, vertrouwde, kalmerende, geruststellende hand van mijn man: Carlisle Cullen op mijn schouder. De man schudde kort, kalmerend zijn hoofd. Zijn goud gekleurde ogen gleden naar het meisje dat nog altijd oog in oog met de panter stond.
We namen de geur van het meisje nog is in ons op, en besloten dat we maar is moesten gaan.
Carlisle rende voor mij uit, na een paar kilometer stopte de man abrupt met lopen.


Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen