Foto bij H.67.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Het doet zoveel pijn, ik kan het niet meer bevatten.
Evan antwoordt niet terwijl het allemaal donkerder wordt en even ben ik bang dat hij er niet echt is, maar dan besef ik me dat hij niet reageerd omdat hij weet dat hij niets voor me kan doen, dat het nergens op slaat om Ammay’s lichaam niet mee te laten nemen.
Maar ik wil haar niet kwijt.
Ik kan dat niet.
‘Laat hen haar alsjeblieft niet weghalen.’
En dan is het donker.

Wanneer ik weer wakker word, weet ik precies wat er gebeurd is, weet ik meteen dat ik in elkaar geslagen ben door een groepje klasgenoten en dat Ammay vermoord is en dat mijn vader daar was.
Maar ik besef niet meteen waar ik ben, waardoor ik eerst overspoeld word door een golf van angst en onzekerheid, maar dan zie ik dat ik in een ziekenhuis kamer ben.
En ik ben alleen.
Evan is er niet.
Met gejaagde ademhaling kijk ik om mij heen, zoek naar hem, hoor de hartmonitor sneller piepen.
Ik zit vast aan allemaal infusen en het ruikt vreemd en ik raak in paniek, kan niet meer helder nadenken.
Het voelt alsof ik gevangen zit.
En dan zie ik silhouetten achter het matte raam.
Een daarvan herken ik gelijk als die van Evan.
Hij is wel hier.
Hij is oké.
Hij is hier.
Maar waarom is hij niet binnen?
Nu ik steeds meer bij bewustzijn kom, begin ik geluiden op te vangen.
Zijn stem.
Ik versta alleen maar delen
Hij klinkt gepikeerd en ik kopieer het gedrag meteen.
‘Ik wil... zien... ik... binnen... niet alleen als... wakker wordt!’ roept hij en iemand - waarschijnlijk een agent of arts - probeerd hem gerust te stellen.
Ik sta op, trekt de infusen uit mijn hand, haal alle draadjes weg, ook al doet het pijn, zie ik bloed en weet ik vaag dat dat slecht is.
Verwoed struikel ik naar de deur.
Zodra ik hem open vallen alle stemmen stil.
Evan is de eerste die ik zie en ik loop haastig naar hem toe.
Ik val en hij vangt me op, trekt zich tegen me aan.
Iets wat nog het beste als een snik beschreven kan worden komt uit mijn mond.
‘Gioa!’ stoot hij uit, tegelijkertijd wel en niet opgelucht.
Ik leg mijn gezicht in zijn hals en laat hem het enige zijn wat me overeind houdt.
‘Ik wil weg’, snik in en mijn lichaam schokt,’ Ik wil naar huis, Evan.’
Het probleem is dat ik geen huis heb - of in ieder geval niet een thuis.
Die plek zal nooit meer iets anders zijn dan het huis waarin Ammay gestorven is.
‘Het is oké.’ zegt Evan en het is geruststellend, ook al trilt zijn stem,’ Het is oké.’
Mijn lijf trilt en ik probeer het niet eens meer te verbergen.
‘Ik werd wakker en je was er niet’, stoot ik uit,’ Ik dacht dat je weg was.’
Hij trekt mij nog meer naar zich toe.
Het doet minder pijn als hij zo dichtbij me is.
‘Maar ik ben er nu. En ik ga nergens heen.’
Ik wil niet dat hij ophoudt, ik wil dat het nooit meer ophoudt, maar dan laat hij mij toch los, ook al zorgt hij er nog steeds voor dat ik niet val.
Ik vraag me af hoe lang ik bewusteloos ben geweest.
Het kan niet al te lang zijn, want Evan was nog steeds aan het onderhandelen over of hij bij mij mocht of niet, tenzij hij dat gesprek ook al bij de balie heeft gehad.
Dan komen er allemaal artsen aanlopen en automatisch zet ik nog een stapje dichter naar Evan toe, ook al weet ik dat als iemand mij niet iets aan zal doen, het een dokter is.
Ze beginnen me dingen te vragen en ik ben even overweldigd, versta het niet goed.
Een aardig uitziende vrouw komt naar mij toelopen, pakt mijn handen vast.
Ze begint tegen me te praten alsof ik een kind ben, maar om eerlijk te zijn ben ik niet echt in staat iets anders te begrijpen.
‘We gaan terug naar de kamer, oké? En dan maken we de infusen weer vast en komt alles goed. Is dat oké?’
Ik kijk even achterom naar Evan en kijk dat terug.
‘Evan moet mee. Ik... ik wil niet dat...’ begin ik te stamelen, maar de vrouw knikt al.
‘Oké. Is goed.’ zegt ze, ook al klinkt het iets twijfelend en werpt ze een korte blik op de politie.
We lopen de kamer binnen en ik blijf heel dicht in de buurt van Evan.
Al deze mensen hebben als werk mensen helpen en hebben alleen het beste met mij voor, maar de man die mij jarenlang mishandeld heeft is een politieagent, dus een beetje achterdocht is niet misplaatst.
Ik ga weer in het bed liggen en ze beginnen opnieuw infusen vast te maken.
En dan zie ik het kalmeringsmiddel.
Ik kom half overeind, maar Evan legt voorzichtig een hand op mijn schouder.
‘Nee’, ratel ik terwijl ik hem met glinsterende ogen aankijk,’ Ik wil geen kalmeringsmiddel.’
Ik weet niet precies waarom niet, maar ik wil niet versuft worden.
Ik wil niet dat het enige wat ervoor zorgt dat het allemaal niet zoveel pijn doet iets chemisch is.
Maar iets in Evans blik vertelt me dat het oké is en ik berust een beetje.
Dus met tegenzin laat ik hen het middel toedienen en ik voel mijn bloeddruk dalen.
Ik ga bewusteloos raken.
Ik weet het meteen.
Het is allemaal teveel.
Paniekerig kijk ik naar Evan.
Ik voel me te vreemd, alsof ik in een deurpost sta.
Niet hier en niet daar.
Gewoon iets ertussenin.
Hij legt voorzichtig een hand op de mijne.
‘Niet weggaan’, fluister ik smekend,’ Alsjeblieft. Niet weggaan.’
Hij slikt.
‘Ik ga nergens heen.’

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen