Was het vreemd dat Remus zich na het bad een heel stuk menselijker voelde? Hij was geen mens, dat wist hij ook, maar na lagen van zweet, bloed en vuil van zich af te hebben gewassen, voelde hij zich voor het eerst in maanden, zo niet jaren, weer enigszins een mens en niet langer het beest dat hij was. Of in elk geval een heel stuk minder. Dat hij geen mens was, maar een monster, was iets dat hem met de paplepel in was gegoten.

      "Hé kleine, niet huilen nu." Een hand streek de krullen uit Remus' gezicht. Langzaam keek Remus op. Het gezicht van de vrouw waar zowel de hand als de stem aan toe had behoort zat onder de littekens. Ze zag eruit als iemand door wie je de straat over zou steken als je haar 's avonds tegenkwam in een steegje, maar er was iets in de blik waarmee ze naar de kleine jongen tegenover haar keek, waardoor Remus niet meteen achteruit sprong. Misschien omdat die blik hem aan zijn moeder deed denken.
      "Ik wil naar huis," fluisterde het jongetje. "Ik wil naar mama." In zijn handen hield hij een vieze doek vast. Hij klemde zich eraan vast alsof het zijn laatste reddingsboei was.
      "Dat weet ik," antwoordde de vrouw. "Maar dit is je huis nu."
      "Dat wil ik niet." De tranen klonken opnieuw door in zijn stem. "Wanneer komt mama?" Ergens diep verstopt in zijn geheugen hoorde hij de stem van zijn moeder.
Remus, alsjeblieft, dit ben je niet, lieverd. Je bent sterker dan de wolf. Doe het niet. Remus kon het niet plaatsen.
      De vrouw aaide hem nogmaals over zijn hoofd en glimlachte treurig. "Ach kleine, je snapt het niet hè? Er is geen huis voor wezens als wij. We hebben geen familie, niemand buiten onszelf die om ons geeft. Wie kan er immers van een beest houden?"


      Na het bad was hij in één rechte lijn terug naar zijn kooi gelopen, maar de deur stond nog wagenwijd open. Sirius zat in een stoel en leek niet van plan om de kooi te sluiten. De open deur stoorde Remus. Hij wist niet wat hij ervan moest denken. Wat voor spel speelde Sirius met hem? De kooi stond misschien open, maar hij was niet vrij, daar was Remus zeker van. Hij wist niet eens zeker wat hij moest doen mocht hij wel vrij zijn. Hij had bijna zijn hele leven in gevangenschap doorgebracht, opgesloten als het beest dat hij was.
      Hij was zich al te bewust van Sirius' blik toen hij naar de deur van de kooi liep. Heel langzaam bewoog hij zijn handen naar de tralies, met de bedoeling de deur zelf te sluiten. Hij hield het contact met het zilver nog geen seconde vol.
      Ondanks dat de deur nog net zo ver open stond als het daarvoor had gedaan, verliet Remus de kooi niet. Hij ondernam ook geen tweede poging meer om de kooi te sluiten. Sirius' zelfvoldane grijns ontnam hem die zin wel. Of misschien speelde hij op deze manier precies het spel zoals Sirius dat wilde.
      Remus ging achterin de kooi zitten, maar binnen een minuut stond hij weer op om door de kooi te gaan ijsberen. De maan fluisterde tegen hem en zorgde voor een onrust die hij niet de baas kon blijven. Hij moest bewegen om zijn hoofd helder te houden. Zou hij stil gaan staan, dan zouden zijn instincten hem inhalen. Dan zou de wolf zich naar buiten weten te werken. Hij kon de controle niet verliezen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here