Enando staarde naar de huizen aan de overkant van het meer. De huisjes waren kleurrijk geverfd, maar ver van perfect onderhouden. Ze stonden op hoge palen, enkele meters boven de waterspiegel. De robuuste palen zaten onder de algen en zeewratten. Er waren talrijke ietwat scheve dokken tussen de gebouwen. Soms ontbrak er een plank, maar over het algemeen zag het er nog stevig uit. Onder de planken waren netten bevestigd waar elfen kreeften uit plukten.
De jongste prins legde aan aan de laagste kade. Voordat hij de boot uitstapte controleerde hij zijn tas. Het ding zat volgepropt met messen en speren, twee zwaarden, één schild, een slaapzak, wat fruit en een stuk brood.
Terwijl hij zijn tas terug dichtte, hoorde hij de planken kraken onder vele voetstappen. Enando keek op en zag dat er behoorlijk wat elfen naar buiten gestormd waren. Het aangezicht maakte hem vrolijk; dit was een warmer welkom dan hij verwacht had. Enando zwaaide vriendelijk, en de elfen zwaaiden terug. Althans, ze zwaaiden terug met enige paniek op hun gezicht. Ze riepen ook een of andere begroeting. De prins hoorde allemaal stemmen door elkaar. Het duurde even voordat hij doorhad dat het geen begroeting was. De elfen zwaaiden ook niet, ze wuifden en gebaarden dat hij snel uit de boot moest komen.
Voordat Enando goed doorhad wat er aan de hand was, werd hij uit de boot getild. Zijn tas werd voor hem uit de boot getrokken.
Nu de massa om hem heen stond, kon hij verstaan wat zij zeiden;
‘Wat denk je wel niet dat je aan het doen bent?’
‘Je liet ons zo schrikken, wil je dat nooit meer doen’
Enando wist niet goed waarom iedereen zo in paniek was.
‘Het is niet veilig!’
‘Iedereen weet dat je dat niet moet doen, wat bezielde je?’
‘Het meermonster had je kunnen opeten!’
‘Een meermonster?’, herhaalde Enando. Hij zou moeten wachten op een antwoord. De menigte wilde zo snel mogelijk weer veilig op de dokken staan, het liefst zelfs nog verder van het water af. Begeleid door de elfen bereikte Enando een theehuis aan de oever. De eigenaar van het theehuis zag hoe de elfen om de arme jongen heen gedrongen waren. Hij verhief zijn stem en riep;
‘Laat die jongen eens wat ademen!’
Waarop de elfen stilvielen en allemaal een stap achteruit zetten.
‘We zijn allemaal geschrokken, maar als iedereen door elkaar kwebbelt, verstaat hij er niks van!’
Nu de eigenaar een fatsoenlijk zicht had op de jongen, herkende hij hem meteen. Na een kort moment van aarzeling besloot hij er nu nog niks van te zeggen.
‘Als jullie naar huis gaan, dan praat ik deze jongeman bij over wat er aan de hand is. Veilig, op de kant’, sprak de man tot de menigte. Vervolgens richtte hij zich tot de prins; ‘Kom mee naar binnen, dan leg ik het u uit’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen