Naarmate de dag vorderde, werd Remus steeds rustelozer. Sirius had zijn blik keer op keer naar de open deur zien gaan en het idee dat Remus wilde dat de deur gesloten zou worden, zorgde er juist voor dat hij de deur open liet staan. De keren dat hij van zijn zitplek opgestaan was om iets te eten te pakken of iets anders te doen, had hij even gepauzeerd bij de deur om overduidelijk in het beeld van de wolf met zijn hand langs de spijlen te glijden. Remus wilde niet laten merken dat hij het zag, dat wist Sirius, maar telkens zag hij hoe de blik van Remus toch naar hem getrokken werd en hoe zijn gezicht iets meer betrok. De haat dat Sirius wel in staat was om de tralies aan te raken was duidelijk aanwezig.
      Pas toen de avond viel, bood Sirius Remus nieuw eten aan. Hij zette het eten in de kooi neer. Ditmaal was het een stuk vlees - in een voerbak voor honden. In sierlijke krulletters stond 'wolf' geschreven op de bak, naast twee afdrukken van hondenpootjes. Remus' ogen vernauwden zich toen hij dat detail leek op te merken, wat bij Sirius een grijns op zijn gezicht bracht.
      "Eet smakelijk, mijn wolf," zei hij enkel. Remus was zijn huisdier geworden, zijn speelgoedwolf.
      In eerste instantie liet Remus ook dit eten onaangeroerd staan en ging hij bewust met zijn rug naar het eten toe zitten, maar Sirius wist dat dat niet lang zou duren. Het vlees had een sterke geur en na anderhalve dag zonder eten moest Remus wel hongerig zijn. Zo hongerig als een wolf zeiden ze toch niet voor niets?
      Dat gebeurde ook. Heel langzaam draaide Remus zich om naar het eten, om zich vervolgens met een ruk te corrigeren. Het was een vermakelijk gezicht dacht Sirius. Het was zo makkelijk om een wolf te breken. Slechts wat eten, wat kleine steken onder water. Het was zo makkelijk om hem te vernederen en het zou niet lang duren voor Remus zich compleet zou overgeven aan Sirius. Toch hoopte hij dat het niet te makkelijk zou gaan. Hij hield wel van een uitdaging.
      Remus wist het eten te weerstaan.

      Tegen de avond sloot Sirius dan toch de kooi. Hoewel hij verwacht had dat dat een opluchting bij Remus teweeg zou brengen, leek Remus het niet eens door te hebben. Zelfs de spanning in zijn schouders verminderde niet.
      De wolf was al de hele middag rondjes aan het lopen, waarbij zijn spieren af en toe verstrakten alsof hij een pijnaanval wilde tegenhouden. Naarmate het later werd, waren die aanvallen steeds vaker gekomen en leken ze ook heftiger. Tenminste, dat vermoedde Sirius, want inmiddels klapte Remus praktisch dubbel en zijn gezicht was vertrokken van de pijn. Er leek een soort angst in de gouden ogen te staan die Sirius tot nu toe nog niet gezien had. Wat hem nog niet gelukt was te veroorzaken bij Remus, deed de wolf hem zelf al aan.
      Toen de maan zich voorzichtig aan de hemel liet zien en door het raam naar binnen scheen, leek de transformatie op een hoogtepunt te komen. Remus zakte door zijn benen zodat hij op handen en knieën op de grond zat. Ook onder het shirt dat Sirius hem gegeven had, kon Sirius zijn spieren zien opbollen. Het shirt was nat van het zweet en de ademhaling van Remus ging hijgend. Voor het eerst liet hij een korte kerm horen.
      Gefascineerd, haast gehypnotiseerd, kwam Sirius dichterbij, tot hij praktisch tegen de tralies aangeplakt stond. Elke stuiptrekking die door Remus heen trok, leek hij ook te voelen, maar niet op een onplezierige manier. Zijn zintuigen leken op scherp te staan. Toen de wolf zijn nagels in zijn eigen armen - poten? - zette, raakte Sirius voorzichtig de striemen aan waar Remus' nagels dwars door zijn huid gesneden hadden. Door de zachte druk prikten de wonden iets.
      Het herinnerde Sirius aan de levenslust die hij gevoeld had toen met Remus in de kooi. Hij zag die schoonheid nu weer weerspiegeld in de wolf die langs de tralies heen en weer liep. In de frustratie dat hij niet bij Sirius kon komen. In de aanvallen die hij daarom op zichzelf inzette. Hij zag het in het bloed dat over Remus' schouder liep.
      Zo'n machtig wezen met zo'n grote trots. Elke beweging straalde kracht uit, ondanks zijn woede jegens Sirius en hemzelf. Of misschien wel juist door die woede. Het was een prachtig gezicht in elk geval en onbewust was Sirius' hand naar de grendel van de kooi gegleden. Pas toen hij het koude zilver tegen zijn hand voelde, realiseerde hij zich wat hij aan het doen was. Hij wilde onderdeel uitmaken van de fierheid, weer voelen wat hij gevoeld had. Weer echt leven.
      Zijn hand liet de grendel los. Vanavond was niet het juiste moment.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here