Foto bij Scar 13

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Nee! Niet maar het ziekenhuis! Alsjeblieft niet!’ stoot ze schril uit.
Geschrokken kijk ik haar aan.
‘Wat?! Waarom niet? Paige, wat is er?!’ roep ik, want ze lijkt zo ver weg, zo bang.
‘Nee, Nathan. Nee, alsjeblieft niet. Dan zien ze het. Alsjeblieft,' smeekt ze me ze, terwijl ze haar toekomst al voor zich ziet, wat dat ook mag zijn, wat "het" ook mag zijn. Ik kijk haar bleke gezicht met wijd opengesperde ogen aan, moet mijzelf beheersen haar niet door elkaar te schudden.
‘Zien ze wat?! Paige?! Zien ze wat?!’ schreeuw ik tegen haar totaal paniekerige gestalte.
Maar ze reageert niet. Dan arriveren de ambulances en mijn antwoord zal ik niet krijgen.

Ik kan niet meer tegen het geluid van de hartmonitor. Ik kan er niet meer tegen. Ik kan er niet tegen dat ze daar ligt, bewusteloos, verwond. Ik kan er niet tegen dat ze zo moeizaam ademhaalt. Ik kan er niet tegen dat ze pijn heeft, ook al weet ik niet of zie die kan voelen nu ze bewusteloos is. Ik haat ziekenhuizen, maar ik wilde haar ook niet achterlaten. Ik wilde niet dat ze alleen zou zijn als ze wakker wordt.
Heel even stribbelde ze tegen toen de doktoren haar op het brancard wilden leggen en mee wilden nemen, maar ze legde zich al snel bij haar lot neer, ook al zag ik een soort angst en verslagenheid in haar ogen die ik voorheen niet kende.
Onrustig blijf ik vanuit de stoel naast haar ziekenhuisbed naar haar kijken. En dan openen haar ogen. Bijna direct komt ze half overeind, gespannen, haast bang.
Ik sta haastig op, leg een kalmerende hand op haar schouder. Ze laat haar hand omhoog glijden en pakt de mijne vast. Ik weet niet precies wat ze ermee bedoelt, maar ik laat het gewoon gebeuren.
Ze kijkt me geallarmeerd aan, wijdopengesprede ogen, maar ze ontspant zodra ze me herkent.
‘Nate,’ brengt ze ademloos uit en ik probeer niet zelfgenoegzaam te grijnzen. Ik heb een bijnaam. Een mooi meisje geeft me een bijnaam. Ik lijk opeens wel zestien. Ik schud het uit mijn hoofd. Daar gaat het nu niet om.
Half ontspannen zakt ze weer terug in haar bed, laat haar blik van mij naar haar hand met infusen glijden, die nog altijd in de mijne ligt. Terwijl er een blos over haar wangen kruipt, laat ze me los.
Ze wrijft even op haar gezicht en haalt diep adem. 'Jezus, ze hebben me echt een hoop pijnstillers gegeven.'
'Ja?'
'Ja. Ik word er helemaal suf van,' zegt ze met hese stem, maar haar ogen staan helder en scherp, zoals altijd. Dolfijnen laten hun twee hersenhelften om ste beurt slapen, zodat ze altijd half wakker zijn. Soms lijkt het haast alsof voor Paige hetzelfde geldt. Ik kan me niet voorstellen dat ze zich ooit suf voelt.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt ze dan.
Ik ga weer zitten.
‘Je werd aangereden op weg naar je appartement. Een dronken bestuurder,’ leg ik uit en ik probeer de minachting in mijn stem te verhullen. Ze heeft er niets aan als ik laat blijken dat het héél verleidelijk was om die ladderzatte klootzak geen klap in zijn gezicht te geven.
Ze fronst, schudt haar hoofd, alsof dat onmogelijk is.
‘Maar dat kan helemaal niet,' merkt ze verward op. Ze gaat rechter overeind zitten en wrijft over haar voorhoofd. Ze heeft lang geslapen, maar toch lijkt ze moe. Haar gezicht ziet er haast deegachtig uit.
‘Hoezo niet?’
‘Jij was er. Ik kan me herinneren dat jij er was. Jij woont niet bij mij in de buurt, toch?’
Shit. Moet ik nu gaan uitleggen dat ik haar gevolgd ben om zeker te weten dat ze veilig thuis kwam? Ze is sowieso al niet iemand die anderen snel vertrouwt, dat weet ik onderhand wel zeker. Ik begin nu langzaam haar vertrouwen te winnen, maar ik ben bang dat als ik het nu verlies, ik het voor altijd kwijt ben.
‘Ik was toevallig in de buurt,’ lieg ik en probeer het te verbergen dat er een litteken op de rug van mijn hand vormt. Maar ze ziet het al en kijkt me achterdochtig aan. Ik open weer mijn mond, maar ze onderbreekt me.
‘Het maakt niet uit. Jij vroeg niet naar mijn geheim en ik zal dat ook niet doen,’ zegt ze en ik knik dankbaar. Onopvallend probeer ik over het litteken te wrijven, alsof ik zo het nare gevoel weg kan krijgen. Ik was bijna vergeten hoeveel zoiets brandt.
Even maken we oogcontact en ik zie een medelijden in haar blik die ik niet begrijp, maar dan kijkt ze op de klok en is het moment voorbij. Zodra ze ziet dat het half elf in de ochtend is, probeert ze weer overeind te komen. Van de kalme, beheerste Paige Bourgeoiselle die ik inmiddels al een tijdje ken, is niks meer over. Bijna lijkt het alsof ze daar weer ligt, op straat, in het donker, bloedend en smekend me niet naar het ziekenhuis te brengen.
‘Over anderhalf uur moeten we op het bureau zijn. Ik moet weg. Ik wil weg,’ ratelt ze.
Ik schud mijn hoofd.
‘Doe rustig. Oké? Je ligt niet voor niets hier. We hebben allebei vrij vandaag. Je mag pas weer werken als je hersteld bent, oké?’ vertel ik haar.
Ze kijkt me ontevreden aan, bijna verward.
‘Maar ik...’ Ze maakt haar zin niet af. Volgens mij weet ze niet eens hoe die eindigt. Dan schudt ze stellig haar hoofd. ‘Nee. Nee, ik wil gewoon naar werk.’
'Ze laten je echt niet gaan, hoor.'
'Ze mogen het proberen.' Ze gooit de dekens van zich af en ik kijk automatisch weg, bang meer te zien dat het ziekenhuishemd.
‘Wacht, Paige. Nee,’ begin ik, maar ze zet haar benen al op de grond.
En dan, wanneer ze op staat, slaakt ze een kreet en meteen kijk ik weer. Haar handen grijpen naar haar been met het verband erop en ze kreunt van de pijn. Ze zakt bijna in elkaar en ik kan haar maar net overeind houden. Haar bevende handen klemmen zich aan me vast. Naar adem happend laat ze zich weer achterover op het bed zakken. Aan het steeds roder wordende verband zie ik dat ze de wond weer open heeft gehaald. Haar handen trillen terwijl ze doelloos boven het verband om haar bovenbeen zweven, niet zeker wat te doen.
‘Paige?’ vraag ik voorzichtig en ze kijkt me gekweld aan, haar ogen zijn gevuld met tranen, maar ze veegt die snel weg.
‘Het gaat wel,’ ze krimpt ineen, alsof ze een snik in probeert te houden. ‘Het gaat wel.’
‘Je bloedt,’ zeg ik zachtjes, ook al weet zij dat zelf natuurlijk ook. Ik wil een verpleger of arts halen, maar om de een of andere reden twijfel ik. De laatste keer dat ik het woord "ziekenhuis" überhaupt noemde, raakte ze in paniek. Het woord "dokter", zal haar waarschijnlijk ook niet bevallen.
Maar net op dat moment komt er een zuster binnen. In een zeer norse bui begint ze tegen Paige te mopperen en die kijkt me wat versuft aan, alsof ze het niet helemaal begrijpt, wat waarschijnlijk door de medicijnen komt, of door de pijn. De zuster schrijft wat dingen op, roept een dokter op, doet andere... zusterdingen waar ik absoluut geen verstand van heb.
En dan word ik weggestuurd, maar ik wil niet weg, ik wil weten wat er gebeurt, of ze oké is, wil haar kunnen beschermen. Ik wil bij Paige zijn. En ik weet niet of dat wel zo goed is.

Reacties (2)

  • MissEL

    Ah, arme Paige

    1 jaar geleden
  • BethGoes

    Mooi hoofdstuk!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen