Foto bij 075 - Hopeless

Ik heb echt heel lang geschreven aan dit hoofdstukje, maar ik ben wel erg blij hoe het geworden is. ^^

Sorry voor de lange pauze en er zal weer een lange pauze komen. De eindexamens komen eraan hetgeen we goed voor moeten leren. Dat gaat veel tijd kosten. Maar we proberen nog een hoofdstukje te activeren in de komende periode. Wanneer is nog onbekend. :s

Maar goed enjoy ^-^

Amras
Het duizelde me, ik kon me niet herinneren of ik buitenwesten was geraakt of niet. Zijn priemende zwarte ogen en zijn witte haar stonden nog op mijn netvlies. De zwarte vlekken verdwenen en vol ongeloof keek ik naar het gezicht van de man voor me. De man bekeek me bewegingsloos aan, zijn gezicht stond afwachtend. Ik kon dit niet geloven.
"Wie bent u?" vroeg ik met al mijn moed.
"Herken je niet eens meer je bloed eigen familie." zei hij met een tint sarcasme en hij stond sierlijk op, om neerbuigend op me neer te kijken. Ik slikte. Ik bekeek angstig zijn gezicht, ik raakte in verwarring. Hij is niet mijn vader, maar hij lijkt zo veel op hem... Alleen hij is jonger, veel jonger Hij slikte nog een keer, het verhaal van Galeran schoot me te binnen. De man hield een hand bij zijn borst.
"Ik, neefje van me, ik ben Lisantir von Midfold en de koning van Lysrek. Dus let een beetje op je manieren." Dus het was waar, ik was van adellijk bloed. Alleen hoe was me nog steeds niet geheel duidelijk. De schok was groot en ik viel op slag stil. Het laatste beetje moed vloeide uit mijn lichaam, ik zat gevangen in de kerkers van de meest belangrijkste persoon van de lichte kant. Wat kon ik, Yarea, Nafal of het duistere kamp hier tegen op brengen. De man ging zitten toen hij mij ineen zag zakken. Woede borrelde nu langzaam in mij op, mijn vader had gezegd dat de lichte kant verantwoordelijk was voor mijn moeders dood. Ik wilde alles weten.
"Hoe?" stamelde ik uit. "Hoe komt het dat we familie zijn?"
"Wist je dat nog niet, ik had meer van Masiro verwacht." Hij viel even stil, in de stilte bestudeerde ik zijn gezicht. Hij was knap en nog jong, hij moest de zoon van de broer van Masiro zijn.
"Hoe gaat het met Araya? Het is zo lang geleden dat ik haar heb gezien. Ach, de laatste keer dat ik haar heb gezien was dan wel ook de eerste en laatste keer dat ik jouw zag. Maar dat zal je je vast niet meer herinneren, dat kan ook niet je was pas een baby" zei hij.

Ik was in de war, zo erg in de war. Hij had het over mijn moeder, maar zij was dood. Wist hij dat niet? De jonge man praatte door.
"Tja wat zal ik zeggen, ik was toen ook nog veel jonger. Maar ik kan me nog goed herinneren dat ze heel aardig was." Zijn gelaat werd weer serieus en hij keek me indringend aan. Ik voelde de kou door mijn lichaam gaan en de rillingen streken over mijn rug.
"Maar heb ik niet te lang gepraat. Doe de groeten aan haar als je terug bent. Maar eerst ga je me vertellen waarom je hier bent, jonge heer."
"Ze is dood." stamelde ik en op dat moment leek alles een grote leugen.
Het was kristalhelder te zien dat deze man, niet wist dat Araya dood was. Masiro, mijn vader, hij had gezegd dat het allemaal de lichte kants schuld was. Hij keek me geschrokken aan en in dit kleine moment zag ik dat hij oprecht geschrokken was. Zijn we dan niet allemaal toeschouwers in het grote spel, de quote samen met verdriet schoot door mijn lichaam.
"Oh," stamelde Lisantir en hij was in die seconden van zijn pilaar gestoten, maar de man herpakte zich snel. "Zou ik mogen weten hoe het zo gekomen is?" vroeg hij en nu voor de eerste keer inhoudend, meewarig en beleefd.
"Ik weet het niet. Niet helemaal..." zei ik.
Het was zo lang geleden, het enige wat ik nog wist dat ik op een gegeven moment haar gewoon niet meer mocht zien. En de laatste keer dat ik haar zag was vanuit het raam, dat ze op bed lag, met een ziekelijk gezicht. Verder was ik te weten gekomen dat het waarschijnlijk om een ziekte ging die alleen vrouwen kregen. De dagen daarna waren de meeste vrouwelijke werksters verdwenen en een aantal daarvan waren duidelijk ziek. Na die gebeurtenis waren er nooit meer vrouwelijke werksters of andere meiden naar het kasteel gekomen, met uitzondering op Yarea.
Mijn laatste herinnering aan haar dood was dat we voor haar graf stonden en het enige wat Masiro had gezegd, was dat het de lichte kants schuld was. Maar op dit moment twijfelde ik heel erg aan de band tussen mijn vader en mij. Ik voelde me misselijk bij de starende ogen van de koning voor me en het verleden wat we deelden, maar vooral werd ik misselijk van mijn vader. Hij had me voorgelogen. Waarom?
"Hij zei dat het de lichte kants schuld was."
Zijn gezicht betrok, als grijze wolken voor de zon. Ik zag dat hij zijn mond al open deed om iets te zeggen, maar ik plaatste er snel iets tussen.
"Er was een ziekte..." zei ik snel en onzeker. De toekomst zag er donker uit, ik moest de man die mijn toekomst in handen had niet kwaad maken. Anders zou ik met een vingerknip al kunnen sterven. "Het trof haar en de andere vrouwelijke werksters. Ik weet niet hoe het er is gekomen, maar... Masiro dacht dat er vergif in het spel was en... de lichte kant is de schuldige." Was het wel verstandig om dit te zeggen?
"Jullie weten niets van de lichte kant!" zei hij bot, hij rechtte zich op en keek me met wrok aan. Zijn gelaat straalde haast bliksem af. "Er bestaat niets als een enkele vrouwelijke ziekte! En het heeft al helemaal niets te maken met vergif." hij spuugde het woord haast uit. Mijn blik gleed naar de grond en een korte ongemakkelijke stilte volgde. Ik voelde me gebroken, onzeker over het verleden, het heden en de toekomst.
"Ik ben klaar voor vandaag. Ik heb al veel te veel gezegd." zei hij, met ingehouden woede. "Morgen wil ik van je weten waarom je hier bent. En o wee als je liegt, ik breek er zo door heen en dan is het ook meteen gedaan met je." Hij keek me strak aan, ik zag het vanuit mijn ooghoek.
"Heb je me begrepen jongen?"
"Ja" stamelde ik en na dat zacht en hij vertrok zonder nog een woord te zeggen. De deur ging met een ferme klap dicht. Ik trok mijn benen op en omklemde ze met mijn armen. Het begon harder te regenen, in de verte hoorde ik gedonder van onweer. Een machteloos gevoel en wanhoop trok in me en ik legde mijn hoofd op mijn knieën. Grote druppels regen spatte naar binnen op de stenen, ze braken ieder in duizend stukken. De wereld werd troebel toen ook zoute druppels zich voegde in het gekletter.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen