Foto bij 3.1

Dinsdag
Razendsnel weeg ik mijn mogelijkheden tegen elkaar af. Ik kan zwijgend langsfietsen, wat op zich best logisch zou zijn, aangezien hij nog geen enkele keer tegen me heeft gesproken. Toch kan ik dat niet over mijn hart verkrijgen. Ik kan hem vriendelijk groeten, waarna hij me weer even hard kan negeren als laatst in de supermarkt. Die moeite verdient hij misschien niet eens. Ik zucht diep, want zo bot kan ik me niet voordoen. Ik zou het liefst hard in de remmen knijpen en hem leren kennen. Ik zou hem willen vertellen dat ik geen verkeerde bedoelingen heb en dat ik het echt meen, in tegenstelling tot al die anderen. Ik houd mijn adem in als ik hem nader, nog steeds twijfelend over wat ik zal doen.
‘Hé,’ zeg ik.
Veel te vroeg, verdorie.
‘Hé. Jasmijn.’
Er gaat een schok door me heen en ik knijp al in mijn remmen, voordat ik het goed en wel doorheb.
‘Hé. Eh…Vind je het goed als ik even bij je kom staan?’ vraag ik en ik hoor mijn stem trillen.
Hij trekt zijn linker wenkbrauw op en kijkt me onderzoekend aan. ‘Het is een openbaar park. Doe wat je niet laten kunt.’ Hij haalt een pakje sigaretten uit zijn broekzak en draait een aansteker rond tussen zijn vingers. Hij steekt de sigaret aan en tikt er twee keer op. Vervolgens neemt hij een hijs.
Ik zet mijn fiets op de standaard en ga naast hem staan. Ik zwijg, maar in mijn hoofd schreeuw ik. Ik zou hem zoveel willen vragen, maar ik wil hem niet afschrikken. Waar ben ik aan begonnen? Deze jongen zit toch helemaal niet op mijn gezelschap te wachten? Hij gaat niet voor niets in een park staan in oktober. Waarom doe ik dit? Waar moet ik het over hebben? Ik ken hem helemaal niet.
‘Kun je een beetje wennen hier?’ vraag ik voorzichtig. Het blijft stil en ik durf niet opzij te kijken. Waarschijnlijk is het beter dat ik ga, maar iets houdt me tegen. Volgens veel mensen schijn ik te naïef te zijn. Ik geloof pas dat iemand niet aardig is, als diegene dat tientallen keren heeft bewezen. En dan nog kan ik beweren dat het aan mij ligt. Ik weet het allemaal, want het is me zo vaak verteld. Toch kan ik me er niet compleet in vinden, want ik hoop altijd nog op die ene omslag bij iemand. Ik heb in het verzorgingstehuis mensen zien veranderen door slechts een klein gesprekje en een vriendelijk woord. Ik staar naar de kabbelende rivier en in gedachten glijd ik door het ijskoude water.
‘Is je vader makelaar?’ vraagt Daan plotseling, mijn vraag negerend.
Ik schrik op. ‘Ja. Ja, dat klopt,’ zeg ik gehaast.
Hij knikt langzaam. ‘Hij heeft een huis aan ons verkocht.’
‘O.’ Ik aarzel. ‘Ik kan wel doen alsof ik dat niet weet, maar ik weet het wel. Mijn vader vertelde het,’ zeg ik eerlijk.
‘Wat vertelde hij?’ Zijn toon wordt iets scherper.
‘Niets bijzonders hoor,’ zeg ik snel. ‘Ik zei dat je nieuw was en toen vroeg mijn vader of je Van der Velde heette. Dat wist ik toen nog niet, maar volgens mij klopt dat, hè?’ Ik ben buiten adem, omdat ik me zo ongelooflijk druk maak om wat hij van me denkt.
‘Ja, dat klopt. Het is een aardige man, je vader.’ Daan tikt nogmaals twee keer op zijn sigaret, voordat hij weer hijs neemt.
Ik glimlach. ‘Ik ben blij dat je dat vindt,’ zeg ik oprecht.
Twee tikjes. Hijs.
Ik steek mijn handen in mijn jaszakken en ga met mijn rug tegen de brugleuning aan staan.

Twee tikjes. Hijs.
Ik vraag me af of hij zelf zijn routine ook doorheeft. Het blijft stil en ondanks dat ik er zelf weinig last van heb, vraag ik me af wat Daan ervan vindt.
‘Als je liever alleen wilt zijn, moet je het ook zeggen hoor. Maar ik dacht…’ Ik haal mijn schouders op.
‘Wat dacht je?’ vraagt hij. Hij lijkt het prima te vinden dat ik me ongemakkelijk voel. Waarschijnlijk is het een opluchting voor hem dat hij de aandacht eens van zichzelf af kan leiden.
‘Ik wilde je niet zomaar voorbij fietsen,’ zeg ik.
‘Waarom niet?’ vraagt Daan verder.
‘Bijna iedereen in de klas lijkt zo benieuwd naar wat je allemaal wel of niet gedaan zou hebben. Ik wil je alleen even welkom heten,’ zeg ik kalm.
‘Dank je. Maar je kunt me niet wijs maken dat jij niet nieuwsgierig naar mij bent als je me hier zelfs opzoekt,’ zegt hij scherp.
Ik vind het bijzonder hoe zijn stem minder vlak wordt, omdat het voor het eerst is dat ik dat hoor. ‘Ik wil graag weten wie je bent, ja. Maar het interesseert me niets of je van je vorige school bent gestuurd en waarom dat zou zijn. Dat bedoel ik,’ zeg ik helder.
‘O, je bent een diepzinnig meisje? Vertel me eens hoe het dan kan dat jij er niet bij hoort.’
Twee tikjes en hij neemt weer een hijs van zijn sigaret.
Ik draai mijn gezicht met een ruk naar hem toe. ‘Wat bedoel je?’
‘Jij past er niet tussen. Ligt niet aan jou, ligt niet aan hen,’ zegt hij simpel.
‘Ik zit sinds vorig jaar in deze klas. Ik ben blijven zitten. Misschien is dat het. En jij?’ schakel ik snel over, want ik vind het nog altijd vervelend om over die periode te praten.
Daan pakt de brugleuning vast en zet zich af. Hij gaat zitten, nonchalant wankelend op het metaal. ‘Ik zit sinds vorige week bij je in de klas.’
Zijn houding zegt me genoeg: ik moet geen vragen meer stellen.
‘Duidelijk,’ mompel ik.
Hij schraapt zijn keel en ik span mijn spieren aan, verwachtend dat hij iets gaat zeggen. Het blijft echter stil. Ik kijk naar het water en ondanks dat ik me elk moment bewust van Daans aanwezigheid ben, dwalen mijn gedachten af. Het ongemakkelijke gevoel maakt plaats voor een soort trots, omdat ik, voor zover ik weet, de eerste ben met wie Daan vrijwillig meer dan een paar woorden heeft gewisseld. Ik lach vanbinnen, want vrijwillig is nu ook weer niet het juiste woord. Het is helemaal geen actie voor mij om zomaar op een onbekende jongen af te stappen. Toch weet ik het makkelijk te verklaren, omdat ik altijd de rol op me neem om iedereen tevreden te stellen. Ondanks Daans nonchalante houding, heb ik het gevoel dat hij iets mist. Mij wordt wel eens verweten dat ik te emotioneel ben en veel te veel op mijn intuïtie af ga, maar Daan lijkt zonder hoogte- of dieptepunten zijn dagen te slijten.
‘Ik ga naar huis,’ zeg ik, na een flinke tijd.
‘Waar woon je?’ vraagt hij.
‘Klein stukje fietsen. Wijk De Marslanden,’ vertel ik hem.
‘Is dat door de fietstunnel?’ vraagt Daan.
Ik knik.
‘Dan zit je nu wel uit de route.’
‘Ik vind het altijd fijn om door het park te fietsen,’ verdedig ik mezelf.
Hij knikt langzaam, gooit zijn sigaret op de grond en draait die uit met zijn voet.
Ik pak mijn fiets. ‘Tot morgen dan.’
‘Tot morgen.’
Ik stap op en fiets weg, zonder nog om te kijken. Mijn hart bonst in mijn keel, maar ik voel ook een grote glimlach op mijn gezicht ontstaan.

Reacties (4)

  • GossipGirl21

    Ben helemaal fan van jouw story.

    2 jaar geleden
  • Long

    Ik ben echt heel erg benieuwd wat Daan allemaal te verbergen heeft haha.

    2 jaar geleden
  • Slughorn

    Nawh! Cute! Heel cute!

    2 jaar geleden
    • xTrueStoryx

      Cute? Cúte?! Ik heb zo'n vermoeden dat één van de twee het daar niet mee eens is en het is niet Jasmijn ^^

      2 jaar geleden
    • Slughorn

      Maar Jasmijn is cute! (:

      2 jaar geleden
    • xTrueStoryx

      Oooooh dan is het goed :')

      2 jaar geleden
  • IrisThePiris

    Niiiiceeee geschreven!

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen