Opdracht 1 van Kanda's schrijfwedstrijd

De wind waait zachtjes door mijn haar. Het is koud voor een dag in juni, maar dat is Nederland. Ik accepteer de wind, en kijk schichtig om me heen. Toen me ze vertelde haar hier te ontmoeten, in het stadpark, had ik verwacht dat ze bij de ingang zou staan. Ze is nergens.
      Een ongemakkelijk gevoel maakt zich van me meester: wat als ze niet komt? Wat als ze na drie dates gewoon had besloten het voor gezien te houden, me hier achter latend als een zielige verdwaalde puppy? Of nog erger, dat ze hier ergens met haar vriendinnen achter de bosjes staat om die arme jongen uit te lachen die dacht dat hij een kans had met een meisje als haar?
      Nee, Mark, kom op. Hier hebben we het over gehad.
Het was een rare gewoonte misschien om zo tegen mezelf te praten, maar het was wat me overeind houdt als mijn gedachten weer zulke rare kronkels maakt. Het was wat me uiteindelijk de moed gaf om mijn telefoon uit mijn broekzak te halen en – God, bedankt God, Zeus, Odin, wie dan ook, een berichtje van haar.

Ik ben er zo, echt waar! Blijf wachten.

      Alsof ik iets anders kan. Ik scroll nog wat door Facebook om druk te lijken en probeer honderd procent, absoluut, helemaal relaxed te zijn. Date. Cool. Geen probleem hier.
      Kijk, de reden dat ik zo zenuwachtig ben, is dat ik twintig ben en dit mijn derde date is. Als dikke, verlegen jongen is het nogal lastig om dates te krijgen, en terwijl ik mijn vrienden serieuze relaties zag aangaan, bleef ik achter, eenzaam en alleen. Totdat ik tinder probeerde. Ik moet toegeven dat ik altijd te trots was voor een datingapp, en ik moet ook toegeven dat ik compleet mijn trots uit het raam heb gegooid toen ik de app wél downloadde, maar hier ben ik dan. Met een date.
      En Emily is de droom. Ze heeft de schattigste glimlach en ze is zo grappig en ze is net zo dol op Star Trek als ik, en toen vroeg ze mij mee uit. Ik dacht dat ze een grapje maakte, maar ze maakte de eerste keer geen grapje, en toen de tweede keer ook niet, en nu hopelijk nog steeds niet.
      Ik schrik op uit mijn gedachten als ik gehaaste voetstappen hoor en ik Emily naar me toe zie rennen.
      “Sorry dat ik zo laat ben!” zegt ze, met die karakteristieke glimlach op haar gezicht. “Ik beloof je dat het het waard is.”
      “Hey,” antwoord ik zenuwachtig. “Je bent er.”
      “Ja! Natuurlijk.” Ze besteed gelukkig niet veel meer aandacht aan mijn volkomen overbodige opmerking en pakt mijn hand. “Kom op!”
      Na twee dates waar het spannendste wat er gebeurde die keer dat onze handen langs elkaar veegden was, lijkt het gebaar bijna obsceen. Ik had nooit gedacht dat mijn hart sneller kon slaan van een hand, maar wauw, mijn hart gaat meer tekeer dan die keer dat ik probeerde hard te lopen met Rik, die idioot die marathons rent in zijn vrije tijd.
      “Ogen dicht.”
      “Wat?”
      Ze lacht ondeugend, en oh nee, ik smelt en gehoorzaam zonder verdere vragen. Lopen is lastiger en ik ben doodsbang als ik denk over wat iedereen wel niet van me zal denken, maar ze leidt me verrassend goed door het park.
      “Ogen open!”
      Als ik mijn ogen opdoe en wen aan de heldere zon die in mijn ogen schijnt, sta ik op het grasveld bij de vijver en voor me ligt een kleed uitgespreid met een picknickmand.
      “Dus,” Emily’s glimlach lijkt nerveuzer dan eerst. “Wat denk je? Ik weet dat het eigenlijk wat fris is, maar ze hadden beter weer voorspeld, en ik weet eigenlijk ook niet of we hier wel mogen picknicken, maar ik denk niet dat we hiervoor opgepakt kunnen worden, right?” Ze twijfelt even. “Denk ik.”
      Ik lach, en dan schud ik mijn hoofd. “Nee. Nee, ik denk het niet.”
      “Wat vindt je? Ik weet dat je van aardbeien houdt, dus ik heb aardbeien en nou ja, broodjes. Met van die veganistische kaas.”
      “Wauw, dat heb je onthouden?”
      Ze bloost. “Natuurlijk.”
      “Wauw.” Nu bloos ik ook. Wat zijn we goed bezig. “Dank je.”

Niets is perfect, en ook deze picknick niet. Het is koud, Emily knoeit haar limonade en een leger mieren marcheert over haar broek, de aardbeien zijn niet erg zoet, maar als er iets is dat zo in de buurt komt van perfect, is het wel deze middag. We lachen en we praten en het onzekere stemmetje in mijn achterhoofd is zo zwakjes dat het gezang van vogels in de verte het al overstemd. Als ik het laatste broodje pak, realiseer ik me dat dit betekent dat de date bijna over is.
      “Ik wil deze niet opeten,” zeg ik.
      Ze fronst. “Waarom niet? Ik dacht dat je van komkommer hield?”
      “Nee, het is niet…” Waarom probeer ik dan ook te flirten? “Ik wil niet dat deze date ophoudt.”
      “Oh.” Ze giechelt. “Oh. Dat is lief.”
      “Jij bent lief.”
Oh shit, oh shit, oh shit. “Jij ook.”
      Ze legt haar hand op mijn been, glimlacht, en dan komt ze langzaam dichterbij. Als ik dacht dat mijn hart niet sneller kon slaan dan die eerste keer dat ze mijn hand pakte, had ik het fout. Pas als ze haar ogen sluit, realiseer me dat ik iets moet doen. Snel sluit ik mijn ogen ook en smeek mijn hart alsjeblieft te kalmeren, omdat ik zeker weet dat ik zo een hartaanval ga krijgen.
      Ik kan haar adem op mijn lippen voelen en ze ruikt naar aardbeien en een zoet parfum, en alle goede dingen, en dan voel ik haar lippen op de mijne, zo zachtjes dat ik bevries voor een halve seconde, want ze zijn zo zacht en warm en het is zo goed, en dan smelt ik.
      Ze leidt de kus, en het is zo makkelijk om de bewegingen van haar lippen te volgen, om zachtjes te kissen en haar lippen te voelen, te proeven, om haar adem te voelen vermengen met de mijne, en het is zo goed, zo goed dat ik zweer dat perfectie op haar lippen ligt.

Reacties (1)

  • Necessity

    Wat ontzettend goed geschreven en wat zijn ze schattig!

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen