Foto bij Ontbijt op bed

Op wankele passen wandel ik door het ziekenhuis. In mijn handen houd ik een plateau met een zelfgemaakt ontbijt. De verpleegsters waren het er eerst niet mee eens. ‘Die maaltijd is te zwaar voor haar,’ zeiden ze dan. Ik heb echter koppig volgehouden; ik ben al heel mijn leven lang een volhouder. Uiteindelijk hebben de verpleegsters toegegeven met die trieste blik op hun gezicht. ‘Het is oké, het maakt toch niets uit.’ Ik gok dat ze zoiets hadden willen zeggen, maar dat zou niet ethisch verantwoord zijn geweest.
      Mijn oude benen doen pijn, wanneer ik door het ziekenhuis wandel. Mijn armen kunnen het gewicht van het plateau amper dragen, maar ik zet door. Het is te lang geleden, sinds we voor het laatst samen hebben ontbeten. Het zal nog langer duren voordat we het opnieuw samen zullen doen.
      De tocht naar haar kamer lijkt eeuwen te duren. Alles in het ziekenhuis lijkt eeuwen te duren. Ik herinner me het nog levendig toen ik hier voor het laatst lag. Een hersentumor. De operatie had een slaagkans van dertig procent gehad. Ik was een mirakel – en ik wil graag geloven dat ik nog steeds een mirakel ben. Die tijd in het ziekenhuis was zwaar. en eindeloos Het zou nog zwaarder zijn geweest, was zij er niet geweest. Ze was altijd daar, zo dichtbij dat ik bijna vergat dat ze er was.
      ‘Je merkt pas dat iets er altijd is, wanneer het er niet meer is.’ Ik denk dat mijn vader dat ooit eens gezegd heeft. Toen hij nog leefde, toen ik nog door het veld sprintte, alsof het nooit anders zou zijn.
      ‘Ah, George!’ De dokter wuift even mijn richting uit. Ik lach vriendelijk terug en versnel mijn pas een beetje. Een verpleegster grapt dat ik rustig aan moet doen; straks lig ik ook in een ziekenhuisbed. Het is niet alsof haar woorden me raken. Het kan me niet veel schelen of ik straks in dat ziekenhuisbed lig, als ik daarvoor haar maar heb gezien.
      Wanneer ik voor haar deur sta, nummer 312, slaan de twijfels toe. Het is al zo lang geleden… Zal ze mijn bezoekje wel waarderen? Houdt ze nog steeds van spek met eieren, of is ze al bijna vergeten hoe dat smaakt? Zal ze… zal ze mij nog wel herkennen?
      Ik adem een keer diep in en uit en open dapper de deur. Daar ligt ze in haar bed. Ze staart uit het raam, dat uitzicht biedt over een parkje. Denkt ze aan de tijden waarin zij vrolijk op dat bankje zaten? Of geniet ze alleen van het uitzicht, zonder verder associaties te maken?
      ‘Marianne?’
      Ze kijkt niet op. Ik slik. ‘Marianne?’ zeg ik iets luider. Mijn stem kraakt zoals die van een echte oude man. Het wordt tijd dat mijn geest beseft dat ik inderdaad niet meer van de jongste ben. ‘Marianne, ik ben het, George.’ Ik wacht even. Langzaam draait ze haar hoofd in mijn richting. ‘George,’ herhaal ik. ‘Je echtgenoot.’
      Ze glimlacht. Zelfs de talrijke rimpels in haar gezicht kunnen haar lach niet verpesten. Ze heeft altijd al een prachtige lach gehad: zo zorgeloos, alsof de wereld aan haar voeten ligt. Dit moment zou perfect kunnen zijn, zou ik haar ogen niet kunnen zien. Die zijn zo leeg, zo onbegrijpend, zo… zielloos. Het is alsof iemand alles waar ze voor staat uit haar lichaam heeft gezogen. Een leeg omhulsel, zo noemt mijn kleindochter het. Dat is ook precies waarom ze altijd begint te wenen, wanneer ze haar grootmoeder ziet. ‘Ze is er niet meer,’ snikt ze dan. Ik weet precies wat ze bedoelt. Soms wil ik ook wenen wanneer ik haar zie. En soms… soms ween ik.
      ‘Ik heb ontbijt voor je meegebracht,’ meld ik.
      Ze blijft even lomp glimlachen, zonder antwoord te geven. Ik vraag me af of ze beseft wat er gaande is. ‘Met liefde gemaakt, speciaal voor jou.’
      Ze maakt geen aanstalten om te eten, dus zet ik het bord neer en voed ik haar. Het brengt me terug naar de tijden waarin ik mijn dochter eten moest geven. Wanneer je Mariannes rimpels wegdenkt, lijkt ze echt veel op een kind. Ze kauwt een beetje op haar eten en dan slikt ze het door of spuwt ze het uit; waar ze het meeste zin in heeft. En als ze het uitspuwt, lacht ze en probeert ze te klappen, zonder al te veel succes. ‘Hoe verder de tijd vordert, hoe meer we teruggaan in de tijd.’ Dat is een uitspraak van mijn broer, vlak voor hij euthanasie onderging. Mijn broer heeft me een dagboek achtergelaten, waarin hij heeft geschreven over zijn gevoelens. Ik heb nooit eerder harder geweend dan wanneer ik las wat hij had geschreven. Hij had zich zodanig vastgeklampt aan één herinnering die hij kost wat kost moest onthouden – en op de volgende pagina was hij het vergeten.
      Ik vraag me af of Marianne zich heeft vastgeklampt aan een herinnering van ons.
      ‘Het spijt me dat ik weg ben gegaan,’ zeg ik. ‘Maar ik ben terug. Zelfs als jij er niet meer bent, ik ben hier. Dus als je me nodig hebt…’
      Een half gekauwd stukje ei, vermengd met wat speeksel, rolt over haar lippen. Ik vang het op met mijn lepel en steek het terug in haar mond.
      ‘Het was fout van me om je achter te laten. Ik had het niet mogen doen. Maar het deed pijn om je zo te zien. Ik wil mezelf graag neerzetten als iemand die sterk is, maar ik ben zwak. Ik ben altijd zwak geweest. Toen ik die tumor kreeg, was jij sterker dan ik ooit zou worden.’
      Geen respons.
      ‘Ik hou van je.’ Ik voel de tranen achter mijn ogen branden. ‘Ik hou van je, van de persoon die je bent en de persoon die je was. Ik hou van je en ik zal altijd van je blijven houden. Altijd, ook wanneer je er niet meer bent.’
      Geen respons.
      ‘Marianne, weet je nog wie ik ben?’
      Ze kijkt op met die vragende ogen van haar. ‘Wie?’ stoot ze uit.
      ‘Je echtgenoot,’ antwoord ik.
      Ik leun een beetje naar voor en druk een kus op haar voorhoofd.
      ‘Ik heb het te weinig gezegd de laatste jaren,’ zeg ik. ‘Ik hou zo zielsveel van je.’ Buiten fluiten de vogels en joelen wat kinderen, maar binnen blijft het stil. Langzaam maar zeker loopt de kamer vol. Onze kinderen, kleinkinderen, een aantal van haar zussen. Sommigen wenen. Ik ween – en ik ween nog steeds wanneer de dokter naar binnenwandelt en het infuus aanlegt.
      ‘Zeker?’ vraagt hij nog.
      We knikken stilzwijgend.
      ‘Mijn echtgenoot,’ is het laatste wat ze zegt. En haar echtgenoot zal ik blijven, zelfs wanneer we in het graf liggen. Ik hoop dat er zoiets bestaat als de hemel, zodat we elkaar opnieuw kunnen zien, zodat ik haar kan aanraken, zodat ik de man kan zijn die ik had moeten zijn.

Reacties (1)

  • Necessity

    Prachtig geschreven! En heel erg pijnlijk.

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen