Foto bij 76 - Underground Darkness

Yarea
Hoe lang zat ik hier nu al? Hoeveel uren waren er wel niet voorbij gegaan? Zou het al bijna donker zijn? Dit riool gaf me een naar gevoel, en bovendien hing er een nare geur. Ik kon geen hand voor ogen zien en durfde amper te bewegen, bang om over de rand te vallen. Mijn hand rustte op de koude, vochtige stenen terwijl ik in een ongemakkelijke positie tegen de muur geleund zat. Een harde puntvormig uitsteeksel prikte in mijn achterhoofd. Voor de zoveelste keer veranderde ik van positie. Mijn kont deed inmiddels flink zeer, van al die uren zitten op de koude, harde grond. Alles van mijn lichaam was koud en vochtig. Het vocht wat hier op de grond lag en langs de muren sijpelde hadden mijn kleren kletsnat gemaakt. Het liefst wilde ik op mijn knieën gaan zitten maar ik durfde niet. Mijn voeten hingen al over de rand en ik was bang mijn evenwicht te verliezen en in het onbekende te vallen.
Mijn gedachten dwaalde af naar Amras. Waar zou hij zijn? Hij zou het vast niet veel beter hebben. Waar ik mij nu in bevond leek al veel op een kerker, dat Amras nu ergens in een echte kerker zat leek mij vrij waarschijnlijk. Ik slaakte in diepe zucht. Een oplossing wist ik niet en terwijl ik hier in het donkere riool zat kon ik niks bedenken. Ik was altijd al slecht geweest in plannen bedenken, maar in een donker riool zonder zicht op de situatie buiten kon ik al helemaal niks bedenken.
Een plotseling geluid liet mijn hart overslaan. Ik hield mijn adem in en spitste mijn oren. Wat was dat geluid? Het klonk als een zachte plons. Iets in het water gevallen? Of kwam Nafal eraan? Ik bleef aandachtig luisteren terwijl ik mijzelf angstig tegen de muur drukte. Mijn knieën had ik angstig opgetrokken en zo ver mogelijk tegen mijzelf aangedrukt. Het donker beangstigde me, ik was bang dat er plotseling van alle kanten mensen op kwamen duiken of dat er plotseling een beest uit het water omhoog kwam en mij meesleurde. Dat ik niks kon zien frustreerde me, en maakte me bang. Ik sperde mijn ogen zo wijd mogelijk open in de hoop iets te kunnen zien. Het werkte niet, al wist ik dat natuurlijk al. Het geluid bleef eenmalig. Het zal wel een steen of rat zijn geweest, hield ik mezelf voor.

Een tijd later hoorde ik geluid. Het geluid van schuifelende voetstappen en kleding wat langs de ruwe muren schoof. Was dat Nafal? Ondanks dat ik wist dat het Nafal moest zijn, durfde ik zijn naam niet te roepen. Ik was bang dat het iemand anders was, een wachter van de Lichte kant die besloot het riool uit te kammen. Ik trok mijn voeten nog verder tegen mijn lichaam aan en hield mijn adem in. Het geluid kwam steeds dichter bij. Ik kon zijn ademhaling zachtjes horen. Wat als het Nafal niet was? Als het Nafal was geweest zou zou hij allang al wat gezegd hebben. Ik drukte me met alle kracht tegen de muur en durfde niks te verroeren. Het geluid van voetstappen stopte, hij kon niet verder dan een paar meter bij mij vandaan staan. Een angstig gevoel bekroop me, waarom zegt hij nou niks? Laat het Nafal zijn, laat het alsjeblieft Nafal zijn. Ik hoorde wat geluiden die ik niet thuis kon brengen. Twee tellen later ontvlamde er een kleine kaars. Ik kon nog net een gil onderdrukken. Mijn angst zakte meteen weer weg bij het zien van Nafal's gezicht. Ik slaakte opgelucht een zucht en ontspande mijn lichaam.
"Godzijdank, Nafal!" riep ik uit. "Had je niet wat kunnen zeggen, ik heb hier doodsangsten uitgestaan."
"Sorry," zei Nafal met een scheve grijns. "Maar laten we jouw hier snel vandaan halen."
"Graag," zei ik. "Ik heb me nog nooit zo slecht gevoeld, uren lang in het stikdonker zitten en niks kunnen zien of doen. Vreselijk!" Ik huiverde, wat was ik blij om hier weg te kunnen.
Met wat pijn en moeite wist ik op te staan, ik hield me krampachtig vast aan de ruwe wand. Even wankelde ik, maar ik wist mijn evenwicht te bewaren. Mijn hele lijf was vreselijk stijf geworden en mijn knieën deden verschrikkelijk veel pijn bij het opstaan.
"Was het een beetje uit te houden hierzo?", vroeg Nafal terwijl we schoorvoetend naar de uitgang liepen.
"Nee," zei ik prompt.
Nafal grinnikte. "Voor morgen zoeken we een ander adresje voor je hoor,"

Eenmaal buiten moesten mijn ogen wennen aan het licht. Ondanks dat het nacht was, leek alles zo helder. De lucht leek haast lichtblauw, ik had nog nooit zo'n lichte nacht gezien. Lag dat eraan dat ik net uren in een donkere ruimte had gezeten of was het altijd zo licht hier?
"Is het altijd zo licht hier?", vroeg ik aan Nafal.
"Het is lichter dan wat jij gewend bent ja, maar je komt net uit het riool dus dan is alles licht." antwoordde hij. Hij stond stil en wees. "Zie je dat? Dat is het Drakenoog, dat geeft extra licht."
Ik zuchtte terwijl ik droevig naar het Drakenoog keek. Mijn gedachtes dwaalde meteen weer af naar Amras, hoe zou het hem vergaan? Het bleef even stil en mijn blik bleef gevestigd op de lichtgevende bol. Nafal zette een stap dichterbij. "Het komt wel goed, Yarea. We gaan een plan bedenken om Amras te bevrijden."
"Heb jij iets van Amras vernomen vandaag? Is er nog veel oproer in de stad?"
"De stad is in rep en roer, jij komt voorlopig de stad niet uit. Ze weten niet hoe je er uit ziet, maar ze hebben een glimp van je rode haar opgevangen, dus roodharigen zijn op dit moment zeer verdacht."
Plots schoot mij iets te binnen. Ser Garaint! Hij wist precies hoe ik eruit zag, en dat ik nog rond liep in de stad. Waarom was ik zo dom geweest om zijn huis in te lopen en niks te doen? Die verdraaide kinderen ook, ik kon het niet over mijn hart verkrijgen. Ik twijfelde of ik dit aan Nafal moest vertellen. Uiteindelijk besloot ik het niet te doen.
"En Amras? Heb je iets van hem vernomen? Weet je wat ze met hem gedaan hebben?", vroeg ik, bang voor het ergste.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen