Ik ben niet bang voor hem. Overduidelijk niet bang voor hem.
Dat is wat ik mezelf vertel, ten minste. Maar.. alles stoptl als hij de kamer binnenkomt en ik voel mijn handen trillen.
De vloer beeft, al het geluid in mijn lichaam valt stil. Ik zou me niet zo moeten voelen bij de man die binnenkort mijn echtgenoot is.
      We zijn inmiddels twee boeken verder. Aleran vertelde me dat hij teruggekomen was op zijn hele 'geen boeken' regel, en dat hij het wilde versoepelen naar een boek per maand. Ik heb zo het gevoel dat dat niet zijn idee was, maar ik besloot er niets over te zeggen. Dan zou hij nooit meer zo gul zijn, ben ik bang.
Lucien heb ik niet meer gesproken. Zo af en toe zien we elkaar, in het passeren, of aan een van de vele feesttafels.
Het kasteel wordt ongeduldig. Ons huwelijk is nog steeds niet voltrokken, er lijkt nog te veel te regelen te zijn. Contracten op te stellen, verbonden te sluiten, bruidsschatten te bespreken.
Aleran is niet naar me opgewarmd, op de boeken na, dan. Hij is misschien, in hoeverre dat mogelijk is, nog koeler geworden. In gezelschap is hij charmant, de vriendelijkheid zelve, maar een op een is hij hard en is er geen sprankje liefde te vinden.
Liefde... een woord dat ik niet ken sinds ik hier in Frankrijk ben. Misschien zal ik het wel leren kennen, als ik zijn kinderen baar. De liefde voor een kind schijnt onvergelijkbaar te zijn, iets dat je nog nooit eerder hebt gevoeld. Dat zal dit huwelijk misschien makkelijker maken.
      Ik zit op mijn vensterbank, met mijn boek op schoot. Ik lees elke pagina zo langzaam en rustig mogelijk. Zodra dit boek uit is moet ik weer veel te lang wachten tot ik een nieuw boek mag lezen. Aleran kiest de boeken voor me, dus erg interessant zijn ze niet, maar het is beter dan niets.
Mijn dames hebben de ruimte allemaal verlaten, dat vroeg ik ze. Ik wilde even alleen zijn, geen geluiden aan mijn hoofd. Geen ander geluid dan mijn eigen ademhaling.
Dat is echter maar van korte duur, want zonder te kloppen valt Aleran mijn kamer binnen. Zijn gezicht staat op onweer, iets dat niet veel goeds voor mij kan betekenen.
"Mijn vader, de koning, wil dat ik met hem mee ga naar Calais," hij lijkt altijd te moeten benoemen dat de koning zijn vader is, alsof ik dat vergeten ben. Aleran, we weten allemaal dat je belangrijk bent. "En als toekomstige koning," zie, daar heb je het al, "zal ik dat doen. In de tussentijd zal ik je een extra boek geven," hij zucht, alsof dit echt allemaal tegen zijn principes in is. "zodat je geen dingen zult doen die ik niet van je verlang."
Ik knik, spreek niet, en hij loopt de kamer uit, waarna hij de deur met een klap dicht laat vallen.

We staan allemaal te kijken hoe de stoet het kasteel verlaat. Een aantal bewapende mannen voorop, gevolgd door de koning en zijn zoon, Aleran. Achter hen nog meer mannen te paard. Het lijkt eeuwen te duren voordat de stoet verdwenen is, niet meer dan een stipje aan de horizon.
Er lijkt een last van mijn schouders af te vallen. Geen Aleran, voor een tijd. Een week, misschien twee, als ik geluk heb.

Diezelfde middag nog, het schemert net een beetje buiten, loop ik door de gangen van het kasteel. Nu Aleran er niet is heb ik meer ruimte. Ik ben nog steeds bang voor hem, bang wat hij kan doen, maar niet bang genoeg om naar hem te luisteren.
Wel draag ik een cape die mijn haren bedekt, en weet ik precies zo te lopen dat ik amper wachten tegenkomt.
Met mijn knokkels klop ik op de massief houten deur. Ik voel me nerveus. Is dat omdat ik betrapt zou kunnen worden? Waarschijnlijk.
Ik weet niet waarom ik de drang had om hier naartoe te komen. Ik had gewoon naar mijn echtgenoot kunnen luisteren. Zo moeilijk is dat niet. Dan had ik geen gevaar gelopen. Maar iets in me zorgt ervoor dat ik dat niet kan. Ik moet hem zien, zo snel mogelijk.
Als er niet snel genoeg gereageerd wordt klop ik nogmaals, dit keer ongeduldiger.
De deur zwaait open, en daar staat Lucien. Ietwat bezweet, zijn haar wild, alsof hij net gesport heeft. Of geslapen.
Schichtig kijk ik om me heen. Ik hoor voetstappen door de gangen en kijk hem vragend aan. Gaat hij me binnenlaten?
Tegelijkertijd kijkt hij even vragend terug. "Emma.. wat doe je hier?"
De voetstappen komen alleen maar dichterbij en ik wurm me langs hem heen de kamer in. Gelukkig is die leeg, daar hoef ik me dan geen zorgen om te maken.
Hij sluit de deur snel. "Emma.. je weet dat je hier niet zou moeten zijn."
"Aleran is weg, Lucien. Niemand heeft me gezien. Ik laat hem me niet vertellen met wie ik wel en niet mag praten, enkel en alleen omdat hij zich bedreigd voelt."
Hij doet een stap in mijn richting. "Waarom ben je hier? In mijn vertrekken...."
Dat was misschien niet de slimste keuze, maar ik kon niet anders. Ik moest hem zien. Ik kan niet verwoorden waarom. Hij spookt door mijn dromen, bijna elke nacht. Ik denk aan hem, meer dan ik zou moeten of zou willen.
Er is een woord voor dit gevoel, maar dat durf ik niet uit te denken, laat staan uit te spreken. Hij is de broer van mijn verloofde.
"Ik moest je zien, Lucien.."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen