23.

(2024)

De zon gleed over de grillige lijnen van de stadsgebouwen. De rij scheepsmasten in de verte markeerde de kronkelende contouren van de Lassiter-rivier.
      Audrey liep een benzinestation in dat de hele nacht open was en kwam een kwartier later opgefrist weer naar buiten, haar kleren nu op elkaar afgestemd met een felroze topje, een marineblauwe broek en sjaal. Ze kocht een beker koffie en een sandwich en vond een telefooncel waar nog steeds een telefoonboek in hing. Terwijl ze at en van de warme drank nipte, nam ze de lijst autoverhuurders door. Toen ze haar ontbijt op had, gooide ze het verfrommelde bekertje en de lege broodzak in een afvalbak en liep het trottoir op, op zoek naar een taxi.
      Het was half 8 in de ochtend. Ze moest een uur de tijd zien te doden voordat de bedrijven opengingen. In een impuls liep ze het park in. Een jogger holde voorbij, en erna nog één. Een oudere vrouw wandelde langs met een grote, vriendelijke Golden Retriever naast haar. Verderop, op een grasrijke oever van de rivier, was een vroege aerobicsles aan de gang.
      Ze maakte de sjaal om haar hoofd los, spreidde hem uit op een vlak stuk en ging zitten. Automatisch begon ze aan een reeks rekoefeningen, bewerkte haar spieren tot de stijfheid in haar onderrug en dijen langzaam afnamen. Ze vervolgde met een serie meer precieze bewegingen van individuele spiergroepen, tot haar huid gloeide van de warmte. Het was dagen geleden dat ze fatsoenlijk had getraind, en ze kon hier niet haar normale programma uitvoeren. Daar had ze gewichten voor nodig, een gymzaal en een zwembad, maar in de tussentijd kon ze genieten van de ochtend en filosoferen over het feit dat ze eindelijk haar intelligentie tegen de stalker had ingezet.
      Even over negenen stapte ze bij een autoverhuurder uit een taxi. Ze haalde haar telefoon uit haar tas, belde het bedrijf waar ze de SUV had gehuurd en vroeg hun het voertuig bij het hotel op te halen. Er lagen geen spullen meer in en hij was schoon. Ze zouden kosten in rekening brengen voor het ophalen, maar ze wilde vandaag incognito blijven, het zou het geld waard zijn.
      Terwijl ze de zaak in liep, hing het mobieltje dat ze net wilde terugstoppen weer over. Ze zag ‘privé nummer’ op het schermpje staan. Haar maag maakte de inmiddels vertrouwde salto en verkrampte toen. Ze onderdrukte de misselijkheid en nam op en bracht de telefoon naar haar oor. “Rot op.”
      Ze drukte het gesprek weg en stak het toestel weer in haar tas, zo voldaan dat de spanning wegebde. Daar ging zijn macho fantasie.
      Een baliemedewerker schraapte zijn keel.
      Audrey hief haar hoofd op, nog steeds fronsend. “Ik wil een auto huren.”
      “Uiteraard, ma’am.”
      Hij dook haastig omlaag om een boek onder de toonbank vandaan te halen en Audrey onderdrukte een grijns. Als schelden haar respect opleverde, moest ze het misschien vaker doen.
      Hij sloeg de map met de prijzen open en draaide hem haar kant op. “Had u iets specifieks in gedachten, ma’am?”
      Het was verleidelijk om een stevige pick-up te vragen, alleen al om nog meer ontzag te krijgen, maar het zou haar niet lukken zichzelf op de hoge stoel te hijsen. Ze keek naar de lijst. Wat ze nodig had was comfort en veel beenruimte, geen al te lage of hoge instap. En ze wilde niet opvallen. “Ik neem de Ford Sedan. Vierdeurs.”
Hij keek lichtelijk teleurgesteld, maar dat kon haar niet schelen. Voor zijn fantasieën was ze ook niet verantwoordelijk.
Nadat ze een boodschap voor Manet had ingesproken waarin ze vroeg of hij nog iets had kunnen afleiden uit de microfilm, reed ze naar de locatie waar vijfentwintig jaar geleden het ongeluk was gebeurd.
      Sugar Hill Road bleek niet langer de smalle, verlaten weg te zijn die het ooit was geweest. De afgelopen decennia had Lassiter zich uitgebreid tot in het achterland, en de route voerde niet meer langs lege boerenakkers, maar door vele buitenwijken, kleine landelijke bedrijven en een bedrijventerrein dat zich verdrong rond de voormalige suikerplantage.
      Audrey minderde vaart, nam de huizen en de voortuinen op, zocht er naar één dat oud genoeg was om er al te hebben gestaan toen zij nog een kind was. Dit gedeelte van de weg was weliswaar kaarsrecht, maar stond toch bekend als een levensgevaarlijk stukje, omdat er altijd veel te hard werd gereden.
      Volgens het politierapport was het beruchte stuk een factor geweest bij haar aanrijding, maar had het waarschijnlijk ook haar leven gered, want als de weg had gekronkeld, zou misschien niemand haar hebben zien liggen.
      Hoe sterk verbonden deze omgeving echter ook was met haar verleden, haar geest weigerde hardnekkig iets te zien wat ook maar vaag bekend voorkwam. Het was mogelijk dat ze ergens anders was geraakt en toen hierheen verplaatst, maar dat was onwaarschijnlijk.

Ze had haar plunjezak bij zich gehad…
      Ineens trapte ze bovenop de rem; de auto kwam met een schok to stilstand. Een vrachtwagen knalde bijna achterop haar, claxonneerde en scheurde voorbij, bijna de bumper van de Ford rakend, waardoor ze zich realiseerde dat ze midden op de weg tot stilstand was gekomen. Met klungelige bewegingen draaide ze aan het stuur en gaf gas. Het voertuig sprong naar voren, de banden piepten op het asfalt, de achterwielen slipten terwijl ze de zachtere bodem van de berm bereikte, door een kluwen onkruid ploegde en eindigde op een dik kussen van gras.
      Op de automatische piloot schakelde ze de motor uit, duwde het portier open en stapte uit, erop gebrand het moment terug te roepen waarop zich een minuscuul kiertje naar haar geheugen had geopend.
      De hete wind blies in haar gezicht, de geur van verschroeid rubber was doordringend, maar ze voelde zich merkwaardig onthecht van de buitenwereld. Alles richtte zich op wat er binnen in haar gebeurde.
      Ze had haar plunjezak bij zich gehad.
      Achter haar ogen ontstond een brandende druk; haar borst leek te worden samengedrukt van emoties. Een fractie van een seconde had ze contact gehad met het kind dat ze ooit was geweest. Het was niet zozeer een herinnering; het was minder direct, meer een aanvoelen van het bewustzijn dat dat meisje had gehad.
      Dat meisje.
      Pas nu merkte Audrey dat ze op de grond zat, haar armen om haar knieën geslagen, haar benen tegen haar borst gevouwen, zacht schommelend. Het was alsof ze een tunnel in staarde, terug in de tijd keek, haar hoofd vol vlammen, haar huid bevroren.
      Voorheen had ze altijd afstand weten te nemen van dat kleine meisje, zich weten te verstoppen achter de eindeloze feiten en details van het onderzoek en de krantenartikelen, maar dat kind was zij zelf geweest en er was iets met haar gebeurd. Iets vreselijks.
      Ze was op de vlucht geweest, daar was ze opeens van overtuigd. Waarom anders zou een kind - zou zij - ‘s nachts alleen langs de weg hebben gelopen?
      Ze was ergens door opgejaagd en toen was het ongeluk gebeurd.
      Tot nu toe had ze zich geconcentreerd op de vraag waarom ze zo weinig bij zich had gehad - een reep en een foto in haar zak - in plaats van waarom ze die nacht buiten was geweest. Het raadsel van de foto, een kwellende band met het verleden en de familie die haar nooit was komen opeisen, dat alles had haar verteerd. Nu trof het feit dat ze pas zeven was geweest en moederziel alleen haar als een stomp in haar maag.
      Talloze keren had ze de politierapporten bestudeerd en ze wist dat ze hier praktisch op dezelfde plek zat als waar het was gebeurd. Ze staarde met holle ogen naar de weg, nog steeds in zichzelf gekeerd. Er voeren rillingen door haar heen, alsof de vage afdruk van die nacht hier nog steeds tastbaar was, om haar heen glinsterde, in haar huid drong. Ze kon het bijna voelen, bijna haar hand er doorheen steken en het aanraken..
      “Gaat het wel? Zal ik een ambulance bellen?”
      Audrey’s hoofd schoot omhoog. De stem die van een afstandje opklonk, kraste van ouderdom en hoorde bij een vrouw die minstens tachtig moest zijn.
      De bejaarde dame wees naar haar stok. “Als ik over die hobbelige grond moet lopen, breek ik vast een been en dan heb je niets meer aan me.”
      “Het gaat alweer” verdwaasd duwde Audrey zich overeind om te bewijzen dat er niets aan de hand was. Ze had de auto van de vrouw niet gehoord, maar hij stond even verderop, een kleine stoffige Suzuki aan de ingang van een oprijlaan.
      Bedenkelijk nam de vrouw de Ford op. “Als je een lift nodig hebt…”
      “Nee, er is niks met de auto. Ik was alleen even geschrokken, een probleempje met een vrachtwagen.”
      “Koen Reding kwam me net voorbij scheuren in zijn truck en schoof me bijna de greppel in. Twintig jaar geleden flikte zijn vader precies hetzelfde. Zelfde familie, andere wagen” zei ze droogjes. Haar hoofd schuddend begon ze langzaam terug te lopen naar haar auto. “Deze weg is levensgevaarlijk.”
      Bij het horen van de hoeveelheid tijd die er tussen de bijna-ongelukken was verstreken, verstarde Audrey. “Wacht even!” Ze stak haar arm door het raam van het linkerportier, pakte haar handtas en haalde de foto van haarzelf als kind eruit. Als de vrouw in Lassiter had gewoond ten tijde van het ongeluk, zou ze zich misschien iets herinneren. Ze somde beknopt de feiten op.
      De dame rommelde in haar tas, zetten een leesbril op haar neus en bestudeerde de foto. Toen hief ze haar hoofd op en staarde boven de glazen uit naar Audrey. “Ben jij dat?”
      Hoop welde in haar op. “Herkent u mij dan?”
      “Ik herinner me de nacht nog dat je werd aangereden.” Ze gebaarde in de verte. “Ik ben Esmee Carner en ik woon daar, achter die wijk. Destijd stonden die huizen er nog niet, alleen maar bomen. Ik weet nog dat ik de zwaailichten zag…” Ze richtte haar blik weer op Audrey. “Het is een hele poos geleden. Mijn man, Arnold, leefde toen nog.”
      “Vijfentwintig jaar.”
      Ze fronste haar wenkbrauwen. “Ik was er zeker van dat je overleden was. Ik weet nog hoe vreselijk ik het vond dat er een kind was doodgereden.”
      “Ik ben ter plekke dood verklaard, maar één van de ambulancebroeders is met me in de weer gebleven, terwijl de rest het al had opgegeven. En met resultaat.”
      Esmee gaf haar de foto terug. “Dat moet Aaron Walsh wel zijn geweest. Hij heeft jaren op de ambulance gezeten. Aaron kon het niet verkroppen iemand kwijt te raken. Ik herinner me nog dat hij Henry Reding uit de rivier heeft getrokken. Henry was meestal straalbezopen en die dag was geen uitzondering. Alleen was hij al overleden. Op de een of andere manier wist Aaron hem terug te halen, maar het duizelde hem tegen de tijd dat hij het voor elkaar had. Hij zwoer bij hoog en laag dat Henry’s longen vol whisky zaten, geen rivierwater.”
      Audrey stak de foto terug in haar tas. Haar hartslag versnelde, haar vingers trilden. De ontmoeting met Esmee Carner was een grote doorbraak. Esmee kon zich haar herinneren - al was het pas van nadat het ongeluk had plaatsgevonden - en nu had ze er een nieuwe naam bij: Aaron Walsh. Hij kwam uit de buurt en had jaren op de ambulance gezeten. Het was mogelijk dat hij iets over haar wist wat anderen over het hoofd hadden gezien.
      “Leeft Aaron nog?”
      Esmee gooide haar stok op de achterbank van haar auto en hees zich achter het stuur. Ze grinnikte. “En of die nog leeft. Aaron klampt zich net zo hard vast aan zijn eigen leven als aan dat van iedereen. Hij is inmiddels tachtig, maar nog altijd fit. We zeggen hier altijd gekscherend dat Aaron Walsh het aardse niet voor het eeuwige zal verruilen voor hij daar zelf zin in heeft.”

Audrey parkeerde de Ford op Landry Street, en halve blok bij het hotel vandaan, pakte haar tas en sloot de wagen af. Ze had de sleutels van de SUV al afgegeven bij het kantoor van het verhuurbedrijf en zich ervan verzekerd dat ze hem hadden opgehaald. Nu hoefde ze alleen nog maar zo onopvallend mogelijk haar spullen in te pakken en te vertrekken. Gegeven het feit dat het nu helemaal licht was, had ze weinig hoop onopgemerkt weg te komen, maar ze was niet meer zo bang voor de stalker. Het was een angstig idee dat hij bij haar had ingebroken, maar haar snauw door de telefoon had haar vrees verjaagd. Hij was niet onfeilbaar - alleen maar vasthoudend - en hij had al een fout gemaakt door die film in de bibliotheek achter te laten. Vroeg of laat zou hij tegen de lamp lopen.
      Ze liep in de richting van haar kamer, bleef zo veel mogelijk in de schaduw en nam het trage, rustige tempo aan dat raadzaam was in de brandende middaghitte. Ze hoorde kinderen spetteren in het zwembad en in de verte klonk het blaffen van een hond. Een dikke hommel zweefde voor haar gezicht, het zoemen bijna lachwekkend hard terwijl het insect koers zette naar een felgekleurde hibiscus bloem. Ergens werd een grasmaaier gestart. De geluiden waren alledaags en onschuldig, droegen bij aan de zomerse sfeer.
      Terwijl ze onder de beschuttende overkapping van het hotel stapte, schoot ze automatisch haar zonnebril steviger op haar neus. De warmte drong in haar huid en de nervositeit die was opgewekt door de ontmoeting langs de kant van de weg ebde weg. Voor het eerst in maanden leek de dreiging van de stalker niet meer zo overweldigend. Voor het eerst in maanden had ze het gevoel weer rustig te kunnen ademhalen.
      Terwijl ze de hoek omsloeg, verlichtte een frisse bries de benauwdheid en de lege carport kwam in zicht. Ze reikte in haar tas en haalde haar sleutel eruit. Op het moment dat ze het hengsel op haar schouder verschoof, trok een beweging haar aandacht.
      Ze vertraagde haar pas, haar vingers om de sleutel geklemd. Daar had je het weer. Het gordijn in de woongedeelte had bewogen.
      Fronsend schoot ze opzij, zocht dekking onder de geveerde schaduw van een groep palmen. De wind stak op en opnieuw trok een beweging haar blik, deze keer links van het gordijn. De voordeur stond half open.
      Meteen nam ze in gedachten alle opties door, op zoek naar een legitieme reden voor de openstaande deur. De huishoudelijke dienst kon het druk hebben en nog zo laat bezig zijn, of misschien was deze kamer achterin de laatste op de lijst. Bij een volgende windvlaag waaide de voordeur helemaal open en kreeg ze zicht op het woongedeelte, al kon ze nauwelijks iets onderscheiden met de dichte gordijnen en de zon die aan de andere kant van het gebouw stond.
      Haar blik op het duistere gat gericht, al haar spieren aangespannen, sloop ze naar voren. Terwijl ze de treden van de kleine veranda telde, werd het duidelijk dat wie er ook binnen was geweest, geen personeel was. De bank was omgegooid, de kussens aan flarden gesneden. De vloer lag bezaaid met vulling en repen stof en er glinsterden glasscherven op het tapijt waar een vaak tegen de televisie was gesmeten.
      Ze schoof weg van de deur, viste haar mobieltje uit haar tas, zette het aan en zocht het nummer van de politie van Lassiter op.
      Haar telefoon piepte toen ze de toets indrukte en ze zag dat er drie berichten waren ontvangen.
      Ze belde en wachtte tot er werd opgenomen. Rechercheur Manet bleek niet aanwezig te zijn, maar ze konden haar met een collega doorverbinden.
      Een paar tellen later hoorde ze een klik en een hese, mannelijke stem klonk op. Harry Styles.
      Audrey slikte, kon ineens geen woord uitbrengen. Haar longen zaten op slot. Haar borst was verkrampt, haar keel leek dichtgeknepen en met een verstikt geluid hing ze op.

Reacties (1)

  • Manonxxx

    Je schrijft zo verdomd goed.
    En bouwt het zo goed op.
    Wil gewoon verder lezen. Hihi xx

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen