Foto bij 034. - Lucien

Na afloop zou ik je niet meer kunnen vertellen hoe ik het voor elkaar heb gekregen. Op de een of andere manier vind ik het minuscule tijdsslot waarin Emma's door onbewaakt is en klop ik aan.
In de tijd die het kost voor de deur om open te gaan, schiet de verschrikkelijke gedachte dat het een val is door mijn hoofd. Wat als Aleran er van wist, en dit allemaal opgezet heeft? Wat als ik, binnen nu en een paar minuten, mijn nek omgedraaid krijg?
Een klik. De deur gaat open op een kleine kier, en dan na een halve seconde genoeg om me binnen te laten. Mijn ogen scannen de ruimte. Aleran is nergens te bekennen. Geen val.
En met die gedachte besef ik me dat Emma en ik alleen zijn. De deur valt weer dicht. Het volgende moment heb ik haar in mijn armen, kus ik haar alsof mijn leven er vanaf hangt. Alles klopt weer. Mijn hart slaat op hol door het risico dat we nemen, maar mijn God, wat is het het waard. Net zoals die ene avond begeleid ik haar naar het bed. Ik wil tegen haar aan kruipen en haar vasthouden tot de zon opkomt. Het gaat zo onhandig en gehaast dat ik een misstap doe en bijna mijn (ons) evenwicht verlies. Als ik haar armen vastpak om te voorkomen dat ze valt, krimpt ze ineen. Heel even maar. Maar het is genoeg.
Onmiddellijk doe ik een stap achteruit, met mijn handen achter mijn rug, en bekijk haar met een frons.
"Het is niets." zegt ze zachtjes, en ze reikt uit om mijn hand te pakken - ik stap uit haar bereik. Ik weet niet wat me het meeste dwarszit; het feit dat Aleran zo hardhandig is dat het haar zelfs nu nog pijn doet, of het feit dat ze de behoefte voelt het te verbergen.
Ik slik moeizaam. De afstand tussen ons doet nu al pijn, zelfs al is hij nog zo klein, maar ik merk aan mezelf dat ik haar niet meer aan durf te raken. Haar wangen kleuren dieproze en ze kijkt naar haar handen. Dan kijkt ze op door haar wimpers. "Kom alsjeblieft bij me." smeekt ze me.
Heel voorzichtig, zonder een woord te zeggen en alsof zelfs mijn adem haar pijn kan doen, ga ik naast haar zitten. Ik kan de blik in haar ogen niet goed lezen. Ik reik uit om haar haren uit haar nek te vegen - meerdere blauwe plekken in verschillende stadia van genezing komen tevoorschijn. Ik wil niet eens weten hoe de rest van haar lichaam er aan toe is. Mijn vingertoppen tintelen met woede, maar met Emma hier kan ik het goed onderdrukken.
"Lucien." Ze is nog maar amper te verstaan. "Je maakt me bang."
Ik schud mijn hoofd; mijn vingers aaien over haar wang. "Niet doen. Ik zal je geen pijn doen."
"Weet ik. Maar je kijkt alsof je iemand anders pijn wil doen."
De lach die ik uitstoot is zo koud dat ik er zelf van schrik. "Och, Emma, lieve Emma, mijn Emma... Als je nu in mijn hoofd kon kijken zou je me nooit weer willen zien."
"Onmogelijk." Ze schudt haar hoofd en vouwt haar zachte vingers om die van mij. "Dit is niet de plek om daaraan te denken, Lucien. Kom, laat me je helpen."
Enigszins verbaasd kijk ik haar aan, maar zij heeft een vastbesloten blik in haar ogen.
Ze kust me, zacht en voorzichtig, en alles is per direct vergeten. Ik kan aan niks anders denken dan aan haar. Wanneer ze gaat liggen, kruip ik als vanzelf over haar heen maar ik zorg ervoor dat er niks van mijn gewicht op haar rust. Ik zal haar geen pijn doen.
"Ik ben niet van glas." mompelt ze, lichtelijk geïrriteerd. Ik kan een grijns niet onderdrukken.
"Daarin verschillen we dan van mening."
Ze gaat er niet verder op in. Ik kus haar zacht en teder, met een enkele intentie dan verder te gaan dan dat. Ik betwijfel of ze daar behoefte aan heeft, en kan me goed voorstellen dat het daar al even beurs is als de rest van haar lijf. Op een gegeven moment kus ik een pad naar haar nek, waar ik zo zacht mogelijk een kus druk op elke blauwe plek die er daar zit. Ik hoor haar adem stokken, maar als ik naar haar op kijk speelt er een glimlach om haar lippen. Haar handen woelen door mijn haar, iets dat zo geweldig goed voelt dat ik er bijna aan onderdoor ga. Ik ga alle blauwe plekken af die ik kan vinden - die in haar hals, die op haar armen, die rondom haar decolleté. Dat is de enige plek waar ik haast maak. De hitte die van haar afkomt is gekmakend, en ik weet simpelweg niet hoelang en of ik het überhaupt kan weerstaan. Uiteindelijk vinden mijn lippen de hare weer. Ik slaak een zucht van geluk.
Ze krult tegen me op als ik naast haar ga liggen, en ze heeft beide handen om mijn ene goede.
"Waarom heb je een muur gestompt?" vraagt ze na een paar minuten gelukzalige stilte. Ze pakt mijn gewonde hand bij de pols om hem te bestuderen. "En hoe hard ging dat, als hij er zo uit ziet."
"Vrij hard." mompel ik. Ik ben maar half bij het gesprek, benut mijn tijd hier simpelweg om zoveel mogelijk naar Emmeline te kijken.
"Maar waarom?"
"Dat wil je niet weten, Emma."
"Lucien..." Ze kijkt me met gefronste wenkbrauwen aan. "Als ik het niet zou willen weten, zou ik het niet vragen."
Ik twijfel even, maar haal dan verslagen mijn schouders op en ontwijk haar blik. "Het was nadat jij en Aleran jullie huwelijk hadden bezegeld."
Ze blijft even stil. "Ah." zegt ze uiteindelijk.
"Ik zei toch dat je het niet wilde weten." Ik glimlach zwakjes en geef haar een kus, maar hoe graag ik ook zou willen laat ik me er deze keer niet door meeslepen. De drie uur zullen bijna voorbij zijn, wat betekent dat ik moet vertrekken.
Emma weet het ook. Die ene kus voelt als een afscheid, wat het ook is. Ik weet niet of, dan wel wanneer ik haar weer kan zien. Dan bedenk ik me iets, net als ik de wachten voor de deur hoor vertrekken voor hun ronde. Ik kijk Emma aan, mijn hand al op de deurklink. "Weet Kenna..."
Ze bijt glimlachend op haar lip en knikt. "Ze weet alles. Ga nou! Anders ben je te laat."
Met een zwaar hart laat ik haar achter en begeef ik me zonder gezien te worden naar mijn eigen vertrekken.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen