Foto bij H.80.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Zometeen gaan de deuren open voor.... bezoekers. Dan begint het. Oké?’ zegt hij en ik knik langzaam.
‘Gaat het?’ vraag ik dan.
Hij haalt zijn schouders op.
‘Ik zou dat eigenlijk aan jou moeten vragen in plaats van andersom.’ ontwijkt hij de vraag.
‘Je weet dat dat niet is hoe ik denk’, zeg ik,’ En je probeert het onderwerp te veranderen.’
Hij zucht en stoot een half, droevig lachje uit.
‘Het gaat wel.’
Hij loopt verder naar mij toe en legt losjes zijn handen om mijn middel.
Ik slik en kijk afwezig over zijn schouder heen.
‘Gaat het met jou?’ vraagt hij en ik voel zijn adem de kleine haren rond mijn oorschelp wat naar achteren blazen.
Ik slik en haal even trillend adem.
‘Ik red me wel.’
Ervan overtuigd dat ik lieg, vouwt hij zijn armen om mij heen en ik laat hem me tegen zich aantrekken.
Ik weet niet precies waarom ik niet huil.
Ik wil eerder schreeuwen, om de een of andere rede.
‘We moeten beginnen.’ zegt hij dan in mijn haar en geeft me nog heel zacht een kus op mijn slaap voordat hij me loslaat.

Er lopen al een uur lang mensen door de zaal, bekijken Ammay, maar ik blijf heel gericht vlakbij de deur.
Ik durf niet naar haar toe te lopen.
Ik kan het niet.
Mensen die mij van het nieuws herkennen, komen naar me toe, condoleren me - wat me misselijk maakt.
Waar waren ze toen Ammay doodbloedde?
Waar waren ze elke keer dat mijn moeder ons mishandelde?
Waar waren ze toen hier nog iets aan veranderd kon worden?
Ik besef me dat het niet eerlijk is.
Natuurlijk wisten ze het niet.
Natuurlijk konden ze niet helpen.
Maar de gedachte dat iedereen nu blijkt te denken dat ze belangrijk kunnen doen over mensen die ze niet eens kennen, zorgt ervoor dat ik me tegelijkertijd leeg voel en toch gevuld met een emotie die ik niet ken.
Evan komt zo vaak als hij kan even bij me staan, vraagt wel duizend keer of het goed met me gaat, maar de meeste tijd is hij bezig met de organisatoren of let hij ontzettend goed op of mijn vader niet opeens binnen komt lopen.
Of erger: mijn moeder.
Dan zie ik de moeder van Ammays vriendin Ashley binnenlopen.
Ashley zelf is er niet bij.
Ik weet niet precies waarom ik dat verwacht had.
Hoe had ze ooit uit moeten leggen dat haar beste vriendin is vermoord door diens bloedeigen moeder?
Ze is nog maar zeven.
Zeven.
Net iets jonger dan Ammay.
Ik slik de gedachte weg.
De vrouw vindt mijn blik en komt op mij af lopen.
Ik zie dat haar ogen glanzen van de tranen.
Doelloos blijft ze dan een meter voor me staan, haar mond in een onregelmatig ritme openend en sluitenend.
'Het spijt me zo, zó ontzettend.' zegt ze dan uiteindelijk.
Ik kijk weg.
'Het is niet uw schuld.' fluister ik.
'Natuurlijk wel', ze is even stil en haar stem hapert,' Natuurlijk had ik het kunnen zien.'
Zenuwachtig til ik mijn hand op om nerveus op mijn nagel te bijten, maar laat hem toch weer zakken.
'Ik heb heel erg mijn best gedaan om het stil te houden', vertel ik en kijk haar dan ineens weer aan,' dus u had het niet kunnen weten.'
Onrustig veeg ik mijn handen af aan mijn broek, ben te moe om mijn handen op te laten houden met beven.
'Als er iets is wat ik kan doen...' zegt ze en ik knik.
'Ik heb al onderdak.'
Ze knikt, haalt een hand door haar bruine haar.
'Oké, maar als het nodig is, ben ik er.' belooft ze me en ze condoleert me opnieuw, waarna ze naar Ammays grafkist toeloopt.
Ze vraagt me nog of ik mee wil lopen, maar dat wil ik niet.
Het voelt alsof ik flauw zou kunnen vallen.
Het voelt alsof ik het enige ben wat me overeind houd, dat ik er hier en nu voor zou kunnen kiezen om bewusteloos op de grond neer te kunnen vallen.
Maar dat doe ik niet.
En dat kost zo verschrikkelijk veel moeite, dat ik er bijna alsnog onder bezwijk.
Na een minuut of tien later besluit ik toch naar haar toe te gaan.
Ik ben het haar verschuldigd.
Evan - die me waarschijnlijk voor bijna geen moment uit het oog moet hebben laten ontsnappen - loopt naar me toe en komt naast me lopen.
Ik pak haast angstvallig zijn hand vast en hij knijpt er zacht in.
En dan zie ik haar.
Vlak voor de kist blijven we stilstaan.
Ik blijf naar haar staren, zelfs wanneer dan uiteindelijk de tranen komen die mijn blik wazig maken.
Onbeweeglijk blijf ik staan, snik niet, schokschouder niet, blijf alleen maar naar haar kijken terwijl mijn ogen overlopen van de tranen.
Twijfelend maakt ik me los van Evan en ga naast haar staan, steek onzeker mijn hand uit, weet niet zeker of ik haar aan mag raken, of iemand me tegen gaat houden.
Dan besef ik me dat het me niet kan schelen.
Het kan me niet schelen of het niet mag.
Het kan me niet schelen.
Ik pak haar hand vast.
Koud.
Hard.
Bijna trek ik me terug in een reflex, maar ik weerhoud mezelf ervan.
'Het spijt me. Zo erg', fluister ik dan, zo zacht dat ik betwijfel of Evan het überhaupt kan horen, of ik het überhaupt hardop zeg,' Ik hou van je.'
Dan laat ik los, alsof haar hand van ijs is en het pijn doet om vast te houden, wat in een vreemde, verdraaide manier echt waar is.
Evan pakt mijn kin tussen duim en wijsvinger en draait mijn gezicht naar hem toe.
'Ben je oké?'
Ik schud mijn hoofd, haal haperend adem.
'Nee... ik... Evan- ik...' mijn borst gaat hevig op en neer en de wereld lijkt te draaien,' Ik kan dit niet. Ik... ik moet even naar buiten. Ik ben zo terug.'
En ik loop weg.
Hij twijfelt even of hij achter me aan moet gaan, maar doet het uiteindelijk niet.
Als ik de deur uitloop is de lucht niet verfrissend, maar klam, haast stroperig.
Snel haast ik me naar het met schaduw overgoten steegje naast het crematorium, loop helemaal waar naar een bakstenen muur de toegang versperd, druk mezelf in het hoekje.
En ik huil.
Mijn handen druk ik op mijn borstkas, hopend de pijn te stillen.
Er zit iets binnenin mij, iets wat naar buiten wilt, zich een weg door mijn huid wilt klauwen.
Mijn benen voelen week en ik zak bijna door mijn knieën heen als ik opeens een stem mijn naam hoor zeggen.
Ik verstijf, kijk paniekerig op.
Ik heb niet goed kunnen horen wie het is, maar weet wel dat het Evan niet is.
Zijn silhouet zie ik al staan in de schaduw van de steeg, maar ik herken hem pas als hij iets het licht in stapt.
Mijn spieren ontspannen en opgelucht laat ik mijn adem ontsnappen.
Het is James.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen