Foto bij H.81.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Als ik de deur uitloop is de lucht niet verfrissend, maar klam, haast stroperig.
Snel haast ik me naar het met schaduw overgoten steegje naast het crematorium, loop helemaal waar naar een bakstenen muur de toegang versperd, druk mezelf in het hoekje.
En ik huil.
Mijn handen druk ik op mijn borstkas, hopend de pijn te stillen.
Er zit iets binnenin mij, iets wat naar buiten wilt, zich een weg door mijn huid wilt klauwen.
Mijn benen voelen week en ik zak bijna door mijn knieën heen als ik opeens een stem mijn naam hoor zeggen.
Ik verstijf, kijk paniekerig op.
Ik heb niet goed kunnen horen wie het is, maar weet wel dat het Evan niet is.
Zijn silhouet zie ik al staan in de schaduw van de steeg, maar ik herken hem pas als hij iets het licht in stapt.
Mijn spieren ontspannen en opgelucht laat ik mijn adem ontsnappen.
Het is James.

Even laat ik mijn ogen dichtvallen als de spanning van mij afglijdt en voor een moment lijk ik het allemaal te vergeten, of lijkt het in ieder geval niet zo verscheurend als eerst.
Ik herpak mijzelf weer en wil iets tegen hem zeggen, maar als ik mijn mond open om het te doen komt er alleen een snik uit die van zo diep komt dat het pijn doet.
Als reactie trekt hij me naar zich toe en ik druk mijn gezicht tegen zijn schouder terwijl ik huil, zo intens dat ik mij afvraag of ik er ooit toe in staat zal zijn om te stoppen.
James heeft stevig zijn armen om mij heen geslagen en ik ben er vrij zeker van dat dat de enige rede is dat ik niet uit elkaar val.
Het is gestoord.
We kennen elkaar niet eens zo lang.
Hij is een drugsdealer, nota bene.
Maar het voelt vertrouwd.
Mijn vingers grijpen zich vast in zijn shirt en al mijn spieren trillen, wat ik ook doe.
James zwijgt, zegt niet dat het allemaal goedkomt, dat het oké is, dat het niet mijn schuld is.
Hij heeft zelf ook een zusje verloren: hij weet dondersgoed dat hij niets kan zeggen dat het beter maakt.
'Ik kan het niet.' snik ik en zijn armspieren spannen aan.
'Tuurlijk wel.'
Ik schud mijn hoofd, maak me los.
Wanneer ik hem aankijk weet ik dat mijn gezicht rood is en vlekkerig en betraand en nog zo veel meer, maar het kan me niet schelen.
'Het voelt alsof ik mezelf verlies. Ik kan het niet meer.' stoot ik uit en ik wist niet dat mijn stem zo klein kon klinken.
Hij raakt voorzichtig mijn bovenarm aan.
'Laat me je helpen.' zegt hij.
'Er is niet wat je kan doen.'
Zijn ogen worden fel, misschien harder, of in ieder geval vastberaden.
'Ik kan niet gewoon hier blijven staan terwijl jij kapot gaat!' hij fluistert, maar toch schreeuwt hij de woorden bijna.
Een vreemde combinatie.
In een reflex van alle keren dat ik iemand zo heb horen praten - meestal mijn moeder - zet ik een stap achteruit en de rug raakt mijn muur, waardoor ik naar adem hap.
'Praat met iemand, verdomme!' sist hij en nu is zijn stem wel harder,' Het maakt me niet uit wie, maar waag het niet om jezelf dit aan te doen!'
Ik duw mezelf weliswaar nog dichter tegen de muur en het voelt alsof een ondefinieerbare kracht tegen mijn keel aandrukt.
'Niet doen.' fluister ik dan en hij lijkt het nu pas te realiseren, bijt op zijn lip.
Met een zucht haalt hij een hand door zijn haar en draait langzaam een rondje om zijn as terwijl hij zichzelf dwingt om kalm te worden.
'Sorry.'
'Het is niet erg.' mompel ik schor en er prikken tranen achter mijn ogen.
Heel gericht ontwijk ik zijn blik, bang te bezwijken als ik hem aankijk.
De neus van mijn schoen schopt zachtjes tegen de stenen tegels aan.
'Als ik langer wegblijft komen ze me waarschijnlijk zoeken.' zeg ik dan en hij knikt.
Vlak voordat ik weg wil lopen houdt zijn stem me tegen.
'Mag ik', even is hij stil en wanneer ik me naar hem omdraai zie ik dat hij slikt,' Is het oké als ik ook... als ik even naar haar toe ga? Dat ik... dat ik haar tenminste een keer...'
Hij struikelt over zijn eigen woorden, maar ik knik al voordat hij verder kan stuntelen.
'Ja, natuurlijk.'
Ik loop weer weg en verwacht dat hij me na een tijdje wel zal volgen.
Dan loop ik naar binnen en word meteen onderschept door Evan.
Hij ziet er bleek uit.
‘Wat is er?’ stoot ik benauwd uit, maar hij antwoordt niet en trekt me aan mijn arm mee naar een stil hoekje.
‘Evan, wat is er?!’ herhaal ik, dwingender, deze keer.
Hij slikt en kijkt even om zijn schouder, alsof hij verwacht iets of iemand te zien.
Zou hij James Grint herkent hebben?
Maar dat zou onmogelijk zijn: hij kent hem niet.
Evan Maxwell is geen crimineel.
‘Je vader is hier.’
Ik heb niet meer dan een fractie van een seconde nodig om te begrijpen wat hij zegt.
‘Wacht, wat?’ breng ik uit.
Evan spant even zijn kaakspieren aan, maar ontspant ze dan weer.
‘Ik heb hem alleen nog maar gezien. Niet gesproken.’
Ik sluit even mijn ogen en slik moeizaam.
‘We... we kunnen hem niet wegsturen.’ concludeer ik dan.
‘We kunnen het hem wel... vragen.’ stelt hij voor, maar ik schud mijn hoofd.
‘Blijf bij hem uit de buurt, Evan’, zeg ik en mijn stem klinkt harder dan ik dacht,’ Wij allebei.’
Even is hij stil, weet niet zeker of dat is wat hij wilt, maar knikt dan.
‘Oké.’ zegt hij, maar ik zie dat hij liegt.
‘Evan.’ sis ik bijna en hij kijkt me onzeker aan.
Kort kijk ik achterom, zie dat mijn vader bij Ammays kist staat.
Dan kijk ik terug.
‘Ik wil dat je bij hem uit de buurt blijft.’ ik snauw het bijna, maar ik wil hem gewoon beschermen.
Mijn vader is gevaarlijk.
‘Waarom?’ sist hij, waarschijnlijk feller dan hij bedoelt.
Met glinsterende ogen kijk ik naar hem omhoog.
‘Evan...’ zeg ik smekend, met trillende stem,’ Je weet waarom.’
Even is hij stil en zijn blik verzacht.
‘Oké. Ik zal het niet doen’, belooft hij me,’ Maar als je echt na al die jaren zo bang voor hem bent, wat een rede moet hebben, blijf ik vlak bij je. Geen discussie.’
Ik wil niet dat hij denkt dat hij op me moet babysitten, maar ik weet dat zijn besluit al vaststaat.
Dus ik knik.
Wanneer ik denk dat mijn vader weg is, loop ik nog een laatste keer naar Ammay toe.
Het gaat beter dan de eerste keer.
Ik voel minder, huil niet.
Het zorgt ervoor dat ik bang ben dat het me nu te weinig kan schelen, al is dat onmogelijk.
Het valt mij pas op dat ineens toch mijn vader achter mij staat als Evan met een ruk opkijkt en intuïtief voor me gaat staan.
Automatisch bevries ik, weiger oogcontact te maken.
Hij negeert Evan volledig en komt aan de andere kan naast de kist staan, kijkt naar mijn zusje.
‘Ik vraag me af wat ik tegen haar gezegd zou hebben als ik wist dat het de laatste keer was dat ik haar zag.’
Met een ruk kijk ik op, een kilte borrelt op in mijn ogen en dat maakt me bang, want het is dezelfde kilte die ik altijd in zijn blik zag.
‘Je kende haar niet toen ze leefde. De eerste en enige keer dat je haar ontmoette was ze al dood. Je zou niks tegen haar hebben kunnen zeggen’, sis ik, woedend, maar toch verschrikkelijk bang om het feit dat ik weet waar de man voor mij toe in staat is als hij boos is,’ En ik wil dat je weg gaat.’
Heel even kijkt hij me aan en ik zie hem.
Ik zie de vader die ons mishandelde.
Scherp adem ik in, waarna het ineens helemaal niet meer lukt om te ademen.
Evan ziet het ook meteen en duwt mij met een arm achter zich.
Even kijkt mijn vader om zich heen, herinnert zich eraan dat hij in het openbaar is, en loopt dan richting de deur, vlak langs mij heen, waarbij hij mij met zijn zijn schouder tegen de mijne aan opzijduwt.
Ik zou graag willen denken dat alles na deze crematie afgelopen is, maar dat is het niet.
Nog altijd ben ik bang voor mijn vader.
En nog altijd is ergens daarbuiten mijn moeder.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen