24.

(2024)

Styles toetste het nummer in waardoor hij weer zou worden doorgeschakeld naar de receptie. “Wie heb je net doorverbonden?”
      “Een vrouw. Ze wilde Manet hebben.”
      “Logisch.” Peinzend verbrak hij de verbinding.
      Het verstikte geluid liet hem niet los. Fronsend duwde hij zijn stoel weg van het bureau dat bedolven was onder de memo’s van ruim twintig jaar geleden. Misschien lag het aan het materiaal dat hij had zitten doornemen, maar het schoot door hem heen dat de beller Audrey Callaghan kon zijn geweest.
      De telefoon ging. Het was Helene weer.
      “Er is ingebroken in hotel Palm Court op Landry Street. Er moet direct iemand naar toe, anders krijgt de eigenaar een rolberoerte. Hij heet Dirk Martin.”
      “Waarom kan Manet er niet heen?”
      “Die heeft zich net afgemeld. Zijn kind is ziek van school gestuurd. En voordat je het vraagt, Banyard draait vandaag de late dienst, Callen en Growner zijn al weg voor een oproep, Smulder lig met griep op bed en Bower is een verdachte aan het verhoren. Je bent de klos, mop.”
      Styles reikte naar zijn jas. Het stond hem tegen de Waltman-zaak in de steek te laten, maar hij had actief willen meewerken en hij had het in een kleine stad willen doen. Zo te oordelen kreeg hij nu in allebei zijn zin. “Ik ben al onderweg.”
      Helene gaf hem het exacte adres. “Trouwens, de kamer waar is ingebroken, daar logeert dezelfde vrouw met wie Manet te maken heeft gehad in die stalk aangifte. Ene Ms. Audrey Callaghan.”
      Meteen was Styles aandacht verscherpt. Dit was interessant.
      Op het bureau van Manet vond hij het dossier en hij nam een paar minuten de tijd om het door te nemen. Kennelijk stond Audrey Callaghan met haar boek op de bestsellerlijsten en waren alle mafkezen uit hun holen gekropen. Een ervan was haar ex-man gebleken. Bij twee verschillende gelegenheden had hij het woord ‘nee’ niet begrepen en beide keren had hij zijn vuisten gebruikt.
      Eerst was het nog maar een vaag vermoeden geweest dat de vrouw die net had gebeld en dat geluidje had gemaakt Audrey had kunnen zijn, maar nu was hij ervan overtuigd.
      Kort daarop beende hij zich een weg door het verkeer van Lassiter, dat de straten verstopte zodra de scholen uit gingen, zijn gedachten nog steeds bij Audrey.
      Toen ze gisteren in haar chique broek pak het bureau in was komen lopen, haar haren opgestoken, had ze de nodige bewonderen blikken getrokken. Manet was verbluft geweest en hijzelf ook. Ze had er verzorgd en fris uit gezien, met de noordelijke pittigheid waar hij in de loop der jaren verslaafd aan was geraakt.
      Intrigerend of niet, hield hij zichzelf voor, hij zou het van zich af moeten zetten. Werk en privé gingen nu eenmaal niet samen, zeker niet in een stad zo klein als Lassiter. De situatie was al ontvlambaar genoeg, want hoe het ook wendde of keerde, beide malen dat Ms. Callaghan in Lassiter was geweest, was het haar gelukt in het middelpunt van een misdaadgolf te belanden.

Audrey bleef staan voor de open deur van haar hotelkamer, haar kaken opeengeklemd. Sinds ze Martin had laten weten dat er was ingebroken, was hij beurtelings langs haar heen gedenderd om de schade op te nemen en heen en weer gestormd tussen zijn kantoor en de kamer. Hij liep aldoor in de telefoon te blaffen, kafferde zowel de politie uit als de firma die de sloten had geleverd.
      Iedereen in de onmiddellijke omgeving - plus een deel van het centrum van Lassiter - wist inmiddels dat Martin de smoor in had. De boel was gesloopt en er was een karpet gestolen dat midden in het woongedeelte had gelegen. De surveillancewagen die op het plekje vlak naast de receptie was geparkeerd, was geen reclame voor de zaak en om het nog erger te maken, was nu ook nog de pers gearriveerd.
      De verslaggever die om Martin heen liep terwijl de hoteleigenaar de geüniformeerde agenten belaagde, bleef onder aan het trapje staan, zijn camera in de aanslag en stelde zich voor als Damian Campbell. Hij hield zijn hoofd schuin. “Ken ik jou niet ergens van?”
      “Nee.” Audrey was er inmiddels aan gewend de pers te ontwijken. Ze ging eenvoudigweg op een van de twee stoeltjes naast de voordeur zitten en keerde Campbell de rug toe, waardoor het lastig werd haar te fotograferen. Hij zou de tuin in moeten lopen en door zijn hurken zakken om een bruikbare opname te bemachtigen.
      Tot haar verbazing nam hij plaats in de andere stoel. “Ja, ik ken je wel. Jij bent die schrijfster uit het noorden. Lassiters hoogsteigen Audrey Doe. Ik heb gehoord dat je wat problemen hebt gehad.” Hij draaide zijn nek om naar binnen te turen, hief zijn camera op en klikte. “Te oordelen naar hoe je kamer eruit ziet geen kleine problemen ook.”
      Audrey haalde haar agenda uit haar tas. “Geen commentaar.”
      Boven aan haar lijstje met mensen die ze wilde spreken, stond Campbell. Samen met Aaron Walsh was hij op de plaats van het ongeluk geweest; hij was de verslaggever die het artikel had gepubliceerd waarin werd gemeld dat ze was overleden. Ze zou het alleen moeten uitstellen voor vandaag. Als Campbell zijn poot stijf wilde houden, moest hij dat vooral doen, maar op het moment zou het domweg onbeschoft zijn zich op te dringen. Tot haar opluchting zag ze dat de twee agenten eindelijk aankwamen, uiteraard met Martin in hun kielzog.
      “Oké” zei Campbell gefrustreerd, “waar blijft mijn verhaal?”
      Martin hapte toe als een uitgehongerde haai. Het betoog was langdradig en gedetailleerd; Campbell’s ogen werden al na de eerste zin wazig. Dit was een moeilijke stad, klaagde Martin en hij had geen liggende gelden. Hij was afhankelijk van vaste klanten om zijn brood te verdienen, niet van het wispelturige toerisme, waarvan Audrey deel uitmaakte. Hij zat er niet op te wachten dat zijn hotel werd afgeschilderd als een afwerkplek, of erger nog, een soort trefpunt voor gekken, wat zij vermoedelijk ook was voor hem.
      Er kwamen nog twee agenten bij, een vrouw en een man. Een hese stem onderbrak Martin midden in zijn monoloog. “Waar is ze?”
      Audrey’s maag kromp samen. Ze stond op en draaide zich om, gebruikte de rugleuning van de stoel als steun. Styles ontmoette haar blik en even voelde ze zich onverklaarbaar verbonden met hem.
      “Jij leidt het onderzoek, Styles?” Campbell klonk als een likkebaardende kat. “Alsof je een kanon stuurt om een musje uit de boom te schieten. Waar is de brand?”
      “Niet zeuren, Campbell. Er is niks aan de hand.”
      “Daar heb ik zo mijn twijfels over.” Campbell schoof zijn notitieboekje in zijn zak en zette het dopje weer op zijn lens. Hij keek de vernielde kamer in en haalde zijn schouders op. “Deze keer misschien niet. Maar, Styles? Bel me als er wel iets gebeurt, hé?”

Styles liet zijn blik over de chaos dwalen. “Zo te zien he je iemand flink kwaad gemaakt.”
      Bij het horen van die opmerking kromp Audrey ineen. Haar moment van triomf had zich tegen haar gekeerd. “Een fan die geen genoegen neemt met ‘nee’. Hij heeft me vandaag op mijn mobiel gebeld. Ik heb hem afgebekt.”
      “Blijkbaar laat hij zich niet zomaar afpoeieren.”
      De vrouwelijke agent, Tamara, verscheen met een honkbalknuppel in de deuropening. “Deze heeft hij gebruikt en een mes. Hoewel we niks scherpers dan een broodmes kunnen vinden, dus of hij heeft het meegenomen, of hij had er zelf één bij zich.”
      Styles knikte in de richting van zijn auto en bood haar een comfortabele zitplek aan terwijl hij en zijn partner de procedure bespreken en vervolgens de overhoop gehaalde kamer in liepen.
      Audrey plofte neer, blij dat ze even kon uitrusten en er verder buiten werd gelaten. Ze keek toe terwijl hij zijn werk deed, kalm en methodisch, een knipoog voor de technisch rechercheur die vingerafdrukken nam, een babbeltje in een soort mannelijke codetaal over een sportwedstrijd met de fotograaf. In de tussentijd drentelde Martin als een nijdige chihuahua heen en weer.
      Na een poosje kwam Styles naar haar toe. Hij ging naast haar zitten en gaf haar een kartonnen bekertje aan. “Koffie. Sorry, het is een beetje koud geworden, maar er zit flink veel suiker in.”
      Audrey nam een slokje en keek toe terwijl hij notities maakte. Nu zijn aandacht niet op haar gericht was, kon ze hem gemakkelijker bestuderen. Toen hij klaar was, leunde hij achterover, zijn uitdrukking onpeilbaar.
      Ze staarde in haar bekertje. Het was haar eerder opgevallen dat hij zijn koffie zonder suiker dronk, dus hij had dit speciaal voor haar ingeschonken. Heel geraffineerd. Ze trok een wenkbrauw op. “En dan nu het verhoor?”
      “Je hebt er al aardig wat achter de kiezen. Ik heb de aantekeningen van Manet vast doorgenomen.”
      Audrey dronk haar koffie op en voelde haar hartslag wat versnellen terwijl de cafeïne in haar bloed kwam - of lag het aan Styles? Wat mannen aanging, zelfs in een pak - vooral in een pak - was hij goed voor een stoot adrenaline.
      Kort praatte ze hem bij over de toestand van de stalker. Ze speelde met het lege bekertje en zette het ten slotte in de houder. “Ik denk dat het dezelfde is die me steeds belt, hoewel één van de telefoontjes anders was.” Ze keek naar een bloeiende hibiscus en probeerde niet te huiveren. “Hij zei niets.”
      “En dat doet hij normaal wel?”
      “Hij hoort graag zijn eigen stem.”
      “Was er nog meer anders aan dat specifieke telefoontje?”
      Ze ademde langzaam in. “Hij wist precies waar ik was. Hij belde niet naar mijn mobiel, hij belde naar het hotel en kende mijn naam. Maar een handjevol mensen wist waar ik logeerde. Mijn moeder, mijn buurvrouw, mijn agent en jij.”
      “En de stalker dus. Of één van de stalkers.”
      “Nee. Ja.” Ze haalde verward haar schouders op. De gedachte dat er meer belagers konden zijn bezorgde haar buikpijn. “Iemand weet het in elk geval.” Ze wreef over haar slapen en vroeg zich af of de hoofdpijn zou uitgroeien tot een migraineaanval. “Het moet dezelfde zijn. Rechercheur Muller zei dat het zou escaleren, dat hij me zou gaan achtervolgen. Het lijkt erop dat hij gelijk krijgt.”
      Styles sloeg zijn boekje dicht. “Manet heeft de telefoongegevens nagekeken om te zien waar de oproepen vandaan kwamen, maar het nummer was geblokkeerd, dus het wordt lastig, zo niet onmogelijk, om hem zo te traceren. Als het dezelfde is, deinst hij er kennelijk niet voor terug dichtbij te komen en heeft hij ervaring met inbreken, wat het profiel verbreedt.”
      Martin dook naast de auto op en tikte fel op het raampje.
      Styles keek haar aan. “Red je het hier wel even?”
      “Ja hoor. Beter hier dan daar met Martin.”
      “Ik zal zien wat er nog te redden valt, maar hij heeft niet veel achtergelaten zo te zien. Heb je al contact opgenomen met de verzekering?”
      De verzekering. Die nuchtere vraag, zo onmiddellijk na de schok die ze zojuist had gekregen, werd haar bijna te veel. “Nee, maar ik popel.”
      Hij pakte zijn koud geworden koffie en dronk hem op. Zijn adamsappel ging op en neer. “Wat er ook gebeurt, er komt altijd een hele papierwinkel bij kijken.”
      Martin roffelde nogmaals op het raampje.
      Met een zucht zette hij zijn lege bekertje in de houder, duwde het portier open en stapte uit.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen