Foto bij EEN - Vlinders

Één jaar later

Er is een soort van festival in het dorp. Mam en Pap maken de kinderen al om acht uur wakker, zodat ze voor de drukte kunnen gaan. Thomas moet natuurlijk even mopperen, want hij is een puber van 17. Joost, Maurits en de tweeling hebben echter geen enkel probleem met vroeg opstaan, ook al is het zomervakantie. De tweeling gaat even snel met Spike uit, zodat hij niet telkens z’n poot optilt in het dorp.
Het gezin Woudenberg ontbijt en rond een uur of negen trekken ze eropuit naar het dorp. Er is muziek, een braderie, kinderspelen en nog veel meer. “Kicken!” Roept Joost. Hij rent meteen richting de spelletjes, waar ook een springkasteel, een draaimolen en een snoepkraam. “Hier, pas jij op Spike.” Emma drukt Thomas de riem in zijn hand en de tweeling verdwijnt in de richting van de kinderboerderij, waar kinderen lammetjes de fles mogen geven. “Nou, struinen jullie maar lekker rond, we zien elkaar over een uur bij de oliebollenkraam.” Zegt Pap. Hij neemt mam bij de hand en ze lopen de braderie op. Maurits en Thomas kijken elkaar aan. “Ik ga bij die band kijken, later nerd.” Thomas geeft z’n broertje een knipoog en trekt Spike mee naar het podium. Maurits loop precies die andere kant op.

Thomas krijgt echter weinig tijd om bij de band te kijken. Maurits komt weer naar hem toe gerend. “Thomas, Tom, Thomas!” Roept hij uit. Thomas kijkt op. “Kun je niet zonder me ofzo?” Moppert hij. Maurits rolt z’n ogen. “Ik heb iets gezien dat je zal interesseren.” Zegt hij. “Meer dan het handwerk van de gitarist hier?” Thomas fronst. “Veel meer, dat weet ik zeker.” Op z’n vijftiende klinkt Maurits al veel te streng. “Nou, okay dan, waarheen?” Vraagt Thomas.
Maurits neemt Thomas bij zijn pols en trekt hem in de richting van een kunstmarkt. Pap en mam staan daar bij schilderspullen te kijken. Een paar kraampjes verwijderd van de schilder’s kraam staat de kraam van staatsbosbeheer of zoiets. Op mooie versierde houten stokjes zitten verschillende soorten wilde vogels. Een kerkuiltje, een sperwer, een vlaamse gaai en een ekster. In kooien zitten kiekendiefjes, roodborstjes en meesjes. Maar op de grootste stok zitten twee raven, een zwarte en een witte. De witte raaf heeft rode ogen, waarmee hij naar Thomas kijkt.
“Nou, wat zei ik je?” Vraagt Maurits. “Twee raven, dus?” Thomas begrijpt het niet. “Wanneer hebben wij nou voor het laatst een raaf gezien?” Mauritz kijkt zijn grote broer aan alsof hij een domoor is. “Dit zijn tamme raven, dat is anders.” Thomas kruist zijn armen voor de borst. Maurits pakt een brochure van de tafel van de kraam. Hij schraapt zijn keel. “De raven populatie van het graafschap Ravenbosch wordt nauwkeurig onderhouden door de grafelijke familie Grafhart. In het landhuis, een paar kilometer buiten het dorp Ravenhorst, worden de raven gehouden. Er wordt geloofd dat wanneer de raven het graafschap verlaten, groot onheil zal toeslaan.” Leest hij voor. “Grafhart, zo heette de graaf. Dat betekend dat zijn familie nog steeds in de omgeving woont.” Maurits is nogal enthousiast en Thomas begrijpt het niet zo. “Ja, dus?” Roept hij uit.
Hij schrikt als de witte raaf luid krast. Vanachter de tafel lacht er iemand. “Nou Idanwen, je moet mensen niet zo laten schrikken.” Zegt een meisjes stem. Thomas kijkt op. Achter de kraam staan twee meiden en een wat oudere dame. De meisjes zijn ongeveer net zo oud als Thomas en Maurits. Het meisje met het zwarte haar, dat in twee vlechten over haar schouders valt, is waarschijnlijk veertien of vijftien, net als Maurits. Het meisje met kastanjerood haar en een valkeniershandschoen aan, lijkt een heel klein beetje ouder dan Thomas. Achttien, heel misschien negentien. “Ik schrok niet.” Moppert Thomas. “Nee, nee.” Het meisje met de zwarte vlechten giechelt. “Hebben de raven namen?” Vraagt Maurits. De meisjes knikken. “De witte raaf heet Idanwen, dat betekent nachtwind.” Zegt het wat oudere meisje. Ze streelt het witte dier over z’n veren. De vogel krast en laat zich kroelen. “De zwarte raaf heeft Ardanwen, dat betekend dagwind.” Zegt het jongere meisje.

“En hoe heten jullie?” Vraagt Thomas nogal vrijpostig. Hij steekt zijn handen in zijn broekzakken en z’n borst ietsjes naar voren. Maurits gnuift. “Waarom stellen jullie je niet eerst voor?” Vraagt het meisje met het rode haar. Maurits kijkt verwachtingsvol naar Thomas. Nu voelt Thomas zich plot een beetje verlegen. Zijn wangen kleuren lichtrood. “Dit is Maurits en ik ben Thomas.” Zegt hij, ietwat mompelend. “Wat leuk jullie te ontmoeten.” Zegt het zwartharige meisje. “Ik ben Marieke en dit is mijn zusje Jozefien.” Zegt de ander.
“Ook leuk jullie te moeten.” Maurits grijns breed. “Niet zo lachen joh, beugelbekkie.” Plaagt Thomas z’n jongere broertje. Maurits negeert hem wijselijk.
“Wonen jullie in de buurt?” Vraagt Marieke. Thomas knikt. “Ja, we wonen sinds een jaar in de oude herberg.” Zegt Maurits. Thomas schijnt zijn tong te hebben ingeslikt. “Onze oma vertelt wel eens verhalen over de oude herberg.” Zegt Jozefien. “Die zouden we graag horen.” Zegt Maurits inhalig. “Ho nou eens even Romeo, we kennen deze dames nauwelijks.” Zegt Thomas. “We kunnen elkaar best beter leren kennen.” Marieke lacht naar hem. Thomas kijkt naar zijn schoenen. Maurits en Jozefien moeten hard lachen.

“Waarom gaan jullie niet een ijsje halen.” Zegt de oude vrouw. “Ja tante Marge.” Zeggen Marieke en Jozefien in koor. Ze komen achter de kraam vandaan. “Komen jullie mee?” Vraagt Marieke. Thomas en Maurits stemmen maar al te graag in. “Ja!” Roepen ze in koor.
“Ga Joost en de tweeling eens zoeken, zij lusten vast ook wel een ijsje.” Pap komt naar de jongens toe lopen en geeft Thomas een tientje. “Okay.” Thomas haalt zijn schouders op. De meiden en de jongens lopen richting de kinderspelletjes, waar ook een ijskraam staat.
Ze vinden Joost bij het spijkerpoepen, maar hij doet niet mee. “Ik mocht niet meer toen ik een wind liet.” Zegt hij met een frons. Maurits en de meiden moeten heel erg hard lachen. Emma en Lisa komen er zelf aan. Lisa pakt Spike’s lijn van Thomas af. “Wie zijn dit?” Vraagt Emma. “Dit zijn Jozefien en Marieke.” Zegt Thomas. Hij klinkt nogal formeel. Marieke en Jozefien steken hun hand naar de tweeling uit. “Marieke en Jozefien Grafhart, leuk jullie te ontmoeten.” Zeggen ze. De kinderen Woudenberg kijken ze aan. “Jullie zijn de dochters van de Graaf.” Stelt Maurits vast. Jozefien knikt, maar Marieke haalt haar schouders op. “Tegenwoordig staat dat nergens meer voor. We wonen is een groter huis en hebben raven op zolder.” Zegt ze nogal vlak. “Maar dat is toch juist gaaf.” Brengt Maurits er tegen in.
“We gingen toch een ijsje halen.” Zegt Thomas. “Ja lekker!” Roept Joost luid. Hij rent als een haas naar de ijskraam. Thomas wandelt er rustig achter aan. Marieke komt naast hem lopen.

Als iedereen een ijsje heeft, loopt iedereen terug naar de vogel kraam. “Oooh, kicken, een witte raaf!” Roept Joost. Idanwen krast verstoort. Marieke doet haar valkeniershandschoen weer aan en klakt haar tong. De witte raaf hop van de stok op haar handschoen. Ze streelt het dier. “Mag ik hem ook aaien?” Vraagt Joost. “Natuurlijk, maar wees wel voorzichtig.” Marieke hurkt voor Joost neer. Joost aait de witte raaf voorzichtig over z’n rug. Idanwen keert zijn rode oog naar Joost. “Volgens mij mag Idanwen jou wel.” Zegt Marieke tegen Joost.
Idanwen krast en vliegt weer terug naar z’n stok, waar hij zijn witte veren poetst. Joost loopt naar de kraam en bekijkt alle vogels. “Maurits, wat voor een vogel is dit.” Hij wijst op de Vlaamse Gaai. “Dat is een Vlaamse Gaai.” Zeggen Maurits en Josefien in koor. Ze kijken elkaar aan en beginnen allebei te lachen. “Zo zo broertje, heb je sjans.” Plaagt Thomas. Maurits rolt z’n ogen en reageert, heel wijselijk, niet.
“Pap, want is sjans?” Vraagt Joost. “Dat is als je op elkaar verliefd bent.” Zeggen Emma en Lisa tegelijk. “Is Maurits verliefd dan?” Joost kijkt naar ze op. Emma en Lisa knikken. “Dat zie je toch?” Thomas grijnst breed. “Nee jij dan, elke keer als Marieke ook maar jou kant op kijkt spring je op rood.” Maurits laat z’n grote broer niet over zich heen lopen. “Nou nou jongens, zo kan het wel weer.” Zegt Mam. Thomas haalt z’n schouders up.
“Ja, ik kijk maar eens verder.” Zegt hij. Hij draait zich weg en loopt langs de kraampjes, weer richting het podium. “Ik ga weer naar de spelletjes.” Verkondigt Joost en hij rent weg. “Wij hebben kleren kraampjes gezien, later.” En de tweeling loopt ook weg. Maurits kijkt zijn ouders aan. “Ga maar, het uur is nog niet om.” Zegt pap. “Okay, tot straks.” Maurits loopt ook weg

Om kwart over tien treft het gezin elkaar weer. Bij de oliebollenkraam, zoals afgesproken. “Zo, wie heeft er trek in een oliebol?” Vraagt Pap. “Ik zou er wel tien op kunnen.” Zegt Thomas. Pap moet hard lachen. Hij koopt voor iedereen een oliebol. Het hele gezin staat lekker te smikkelen.
Daarna wordt er nog een half uurtje gestruind over de kleedjesmarkt. Thomas sloft een beetje rond, niet echt op de kleedjes lettend. Hij is met z’n hoofd bij Marieke. En bij de raven. Misschien heeft Maurits wel gelijk, misschien betekenen die raven wel iets. Wat als Ravenleijn ze weer nodig heeft. De laatste keer was het ook kantje boord. Thomas besluit er later met z’n broertjes en zusjes over te praten.

Om elf uur is het gezin weer thuis. “Wij gaan het bos in.” Verklaart Thomas. “Allemaal?” Vraagt Joost hoopvol. Thomas knikt. “Wacht even, ik ga m’n schrift halen.” Zegt Maurits. Zo snel als hij kan rent hij het huis in. “Mag Spike ook mee?” Vraagt Emma. Maar de hond is onder de trampoline gaan liggen. Hij heeft er geen zin meer in. “Nou, laat Spike maar liggen.” Zegt Thomas.
De kinderen lopen met z’n vijven de tuin uit, het bos in. Pap en mam blijven verbaasd achter. “Ik snap er niets van.” Zegt pap. “Ze zijn nog nooit zo close geweest.” Beaamt mam. “Zou het iets te maken hebben met die keer dat ze verdwaald zijn geraakt in het bos?” Vraagt pap. Mam haalt haar schouders op. “Kan best zijn, maar ik weet het niet.” Zegt ze.

Emma en Lisa zingen luidkeels een of ander liedje dat ze op de radio hebben gehoord. Maurits staat om de haverklap stil om in zijn schrift te schrijven. Joost rent van hot naar her met z’n speelgoed zwaard. En Thomas sloft rustig voort. Hij kijkt naar z’n schoenen. Hij vertrouwt z’n onderbewustzijn. “Thomas, waar gaan we naartoe?” Vraagt Lisa. “Naar de poort natuurlijk!” Roept Joost. Hij begrijpt precies wat Thomas van plan is.
Raven krassen boven hun hoofden. “Ik wist het!” Roept Thomas uit. Hij kijkt op. Daar, hoog in de lucht vliegen zeven raven. Hij kan nog maar net onderscheiden dat er een wit is. De raven zetten een duikvlucht in. “We komen in de buurt.” Zegt Maurits. “Maar het zijn er zeven, geen vijf.” Brengt Emma in. “De raven van vanochtend vlieg ook mee.” Zegt Thomas. De raven vliegen lager, twee meter boven de bosgrond. Ze krassen en scheren langs de bomen.
Ergens achter het struikgewas klinkt gefluit. De raven vliegen eropaf. De kinderen hollen erachteraan, Thomas voorop. Ze verlaten het pad en rennen tussen de bomen door. Door de struiken en over de mossige bosgrond. De raven leiden de kinderen naar de open plek voor de poort naar Raveleijn.
Op de open plek zitten Marieke en Jozefien, op een picknickkleed. “Hoooi!” Schreeuwt Joost. De raven krassen luid terug. “Hallo Joost.” Marieke lacht naar hem. “Wat doen jullie hier?” Joost gaat plompverloren bij de meiden op het kleed zitten. Een van de zwarte raven land naast hem. Het dier kijkt naar Joost op met z’n donkere kraaloogjes. Ardanwen en Idanwen landen ook op het kleed, bij de meiden. De andere raven blijven op de poort zitten. Maar ze houden de andere kinderen scherp in de gaten.


“Wat doen jullie hier?” Vraagt Thomas. “Op jullie wachten, natuurlijk.” Antwoordt Marieke. Ze staat op. Idanwen fladdert omhoog en land op haar schouders. Hij krast en Marieke geeft hem een kus op z’n kopje. “Tante Marga zei dat jullie de Legendarische Vijf zijn.” Jozefien gaat ook staan. Ardanwen hipt op haar voet. “Hoe weten jullie van de Vijf Ruiters?” Vraagt Maurits. “Ieder kind in onze familie wordt het verteld. Onze voormoeder Halina vertelde het haar kinderen en het is van generatie op generatie overgedragen.” Antwoordt Marieke. “We waren dus voorbestemd om naar Raveleijn .. om naar het verleden te gaan.” Fluistert Thomas. Maurits knikt. “Van het moment dat Peregrinus in Raveleijn was het voorbestemd dat jullie met behulp van Halina’s magie naar het verleden zouden reizen.” Stemt Marieke ermee in.
“Dus wij zijn altijd al ridders geweest!” Joost springt op en trekt zijn plastic zwaard. “Uiteraard.” Jozefien moet om hem lachen. “Kicken!” Joost is door het dolle. “We wilden jullie zo graag ontmoeten, en hier zijn jullie dan.” Jozefien gloeit van opwinding. “Maar we waren er toch ook in het dorp?” Vraagt Thomas. “Jawel, maar daar waren zoveel mensen bij. En Tante Marga zij pas dat jullie het waren, toen jullie al weg waren.” Zegt Marieke. “Maar hier zijn we, nu.” Thomas grijnst een beetje naar haar. “Thomas is verlie-hiefd.” Zingt de tweeling. Thomas kijkt over z’n schouder naar ze, een beetje geprikkelt.
“Het is me een eer.” Zegt Marieke plagerig. Thomas bloost hevig. “Spring nou eens op groen!” Maurits schatert het uit. De tweeling lacht ook. “Thomas lijkt wel een aardbei.” Zegt Joost. Marieke en Jozefien beginnen te giechelen. Thomas lijkt nogal ongemakkelijk. Idanwen krast en vliegt naar hem toe, om op zijn schouder te gaan zitten. Hij pikt, heel zachtjes en voorzichtig, in Thomas’ oorlel. “Hè, wat doet dat beest nou?” Vraagt Maurits. Hij loopt op Thomas toe, om het van dichterbij te kunnen bekijken. “Ik voel me net een attractie.” Moppert Thomas. “Idanwen laat gewoon zien dat hij je mag.” Zegt Marieke. Ze klakt met haar tong en de witte raaf vliegt naar haar terug. De tweeling begint nog harder te lachen. De raven die bij de kinderen op het kleed zitten doen het geluid na. “Wat zijn het toch een slimme dieren.” Zegt Maurits. “Nou ik vind ze knap vervelend.” Bromt Thomas. De grootste raaf vliegt van de poort naar hem toe. Het is een trots, glanzend beest. Hij is groot en zijn klauwen zijn scherp. Thomas kan ze voelen door de dunne stof van z’n t-shirt. “Hey, dat is even geleden...” Mompelt hij. “Ja de laatste keer dat we ze zagen waren ze paarden.” Maurits kijkt naar de raven op de poort.

“Kom bij ons op het kleed zitten, we hebben sandwiches genoeg voor iedereen.” Zegt Jozefien. De kinderen Woudenberg komen allemaal zitten. De raven scharrelen alle zeven om het kleed heen. Marieke opent een grote picknickmand. “Wat een geluk dat Tante Marga extra heeft ingepakt.” Zegt Jozefien. Marieke deelt broodjes uit. “Goh, die zien er lekker uit.” Zegt Maurits. “We hebben ook een erg goede kok.” Vertelt Jozefien. Zij en Maurits zitten naast elkaar. Maurits kijkt naar haar. Haar bleke wangen worden een beetje roze. “Aaaaah.” Doet de tweeling. “Zeg, letten jullie eens op jezelf.” Zegt Thomas. “Nou zeg, jij bent wel een mopperkont, hè?” Vraagt Marieke plagerig. “Het is het enige dat hij doet.” Zegt Emma. “Dat, en gitaar spelen.” Voegt Lisa toe.
“Oh, wat leuk.” Marieke gaat een beetje dichter bij Thomas zitten. Thomas kijkt naar z’n knieën. “Thomas is verlie~hiefd.” Zingt de tweeling weer. “Zeg houden jullie eens op. Het wordt vervelend.” Maurits neemt het voor z’n grote broer op. Thomas schenkt hem een dankbaar lachje.
Het valt even stil. Iedereen eet z’n sandwich en geniet van de prachtige juli zon. De grote zwarte raaf steelt de plak salami van Thomas z’n brood. “Hey, niet doen!” Roept Thomas. Het beest krast en vliegt op. Met z’n buit gaat hij op de poort zitten. “Mordegai denkt dat alles van hem is. Hij is de grootste raaf in onze moord.” Zegt Marieke, terwijl ze haar lachen probeert de onder drukken. Thomas trekt ook zo’n verongelijkt gezicht dat dat haar niet echt kwalijk te nemen is.
“Wie is er vermoord?!?” Vraagt Joost gealarmeerd. “Niemand Joost, een groep raven heet een moord.” Zegt Maurits. “Allemaal leuk en aardig, maar ik zit nou droog brood te eten.” Moppert Thomas. “Ach arme jij.” Koert Marieke. Ze geeft hem een nieuw broodje. Thomas scheurt z’n droge brood in stukjes en gooit het naar de poort. De raven zijn niet zo geïnteresseerd in het brood. Duiven deste meer. Ze strijken neer en beginnen blij koerend te eten. “Gatver, ik haat duiven.” Zegt Marieke. “Waarom dan?” Vraagt Joost. “Duiven verspreiden veel ziektes, sommig zijn ook besmettelijk voor raven. We zijn al wel eens een raaf verloren omdat ze op duiven hebben gejaagd.” Antwoordt Jozefien. Thomas kijkt met half toegeknepen ogen naar de groep met duiven. De raven kijken ook naar ze, maar reageren verder niet.
“Nou, deze raven lijken me niet erg geïnteresseerd in de duiven.” Zegt Thomas. “Nee, ze worden goed gevoerd.” Marieke haalt een plastic zakje uit de picknickmand. De raven, ook Mordegai, vliegen naar haar toe. Ze verdringen zich om haar heen. Er zitten er wel drie bij Thomas op schoot. Mordegai zit het dichtste tegen Thomas aan. De raaf is helemaal niet bang voor de jongen en schijnt zich zelfs wel op zijn gemak te voel. Idanwen, de witte raaf, zit naast hem en pikt hem af en toe, schijnbaar liefkozend. Thomas probeert niet te bewegen.
Marieke opent het zakje. De raven zijn allemaal stil en kijken haar aan. Uit het zakje haalt Marieke vreemde roze dingetjes. “Wat zijn dat?” Vraagt Joost. “Nestmuizen. Geen zorgen, ze zijn al dood. We willen het jachtinstinct van onze raven niet aanwakkeren, dus voeren we ze geen levende prooi.” Legt Jozefien uit. Mordegai krast luid. Hij wil nu z’n lekkere hapje hebben. Marieke gooit hem een nestmuis toe. Snel als een bliksemschicht schiet zijn kop uit en hij vangt de nestmuis. Idanwen begint te krassen. Het is schijnbaar zijn beurt. Mariek gooit ook hem een muis toe. Mordegai probeert hem de muis af te pikken, maar dat laat Idanwen niet toe. De kinderen kijken allemaal met open mond toe.
Alle raven krijgen drie nest muizen. Dan is het zakje leeg. De raven zijn voldaan en zijn nu uit op aandacht. Idanwen hipt naar Marieke toe en laat haar over z’n kopje kroelen. De kleinste raaf speelt met de korstjes van Joost z’n brood, maar eet ze niet op. Joost kijkt er gebiologeerd naar. Maurits heeft zijn schrift opengeslagen en tekent zijn raaf na. Emma heeft een veter uit haar schoen geregen en haar raaf en die van Lisa leren al snel wat touwtje trekken is. “Hebben alle raven namen?” Vraagt Maurits. “Deze heet Blacky!” Zegt Joost luid. Marieke en Jozefien lachen tegelijk.
“De meeste raven hebben geen gegeven naam, maar staan geregistreerd met hun ringnummer. Je mag deze raaf best Blacky noemen hoor Joost.” Legt Marieke uit. “Waarom heeft Mordegai wel een naam?” Vraagt Thomas. “Omdat hij de leider is van onze moord.” Antwoordt Jozefien. “En Idanwen en Ardanwen omdat ze van jullie zijn.” Voegt Maurits toe. De meisjes knikken. Thomas streelt Mordegai voorzichtig over zijn veren. De raaf krast zachtjes. “Hoe noem jij je raaf, Maurits?” Vraagt Joost. Maurits maakt een denk geluid. “Ik zal niet moeilijk doen. Ik noem hem Cor, naar z’n latijnse naam.” Antwoordt hij dan. De middelgrote raaf houd z’n kopje schuin en kijkt naar Maurits op.
“Julie raven zijn vrouwtjes.” Vertelt Jozefien tegen de tweeling. “Dus noemen ze we Halina en Sofie.” Zegt Emma. Lisa knikt. “Net als mama, en de gravin.” Stemt ze toe. “Dat zijn prachtige namen.” Zegt Marieke. “Ik zal ze opschrijven.” Maurits slaat een blanco pagina op. Hij schrijft de namen van alle kinderen en de raven op en geeft bij elke raaf een korte omschrijving.

De raven vliegen allemaal op als er boven hun hoofden een krijs klinkt. “De schreeuw van een jachtvalk.” Maurits staat op. Cor vlieg terug naar hem en gaat op zijn schouder zitten. De rest van de kinderen gaat ook staan. Mordegai krast luid. De valk krijst weer ter antwoord. “We moeten hier niet blijven. Tijd om te gaan.” Zegt Thomas. Hij grijpt de picknickmand en gooit snel al de spullen erin. Maurits kijkt op, maar kan de valk niet ontdekken. Wel ziet hij dat de lucht steeds donkerder wordt. “Het gaat zo regenen.” Zegt hij. “Nog meer reden hier weg te gaan, kom.” Thomas leidt de weg terug het bos in. Mordegai vliegt naar hem toe en gaat weer op z’n schouder zitten.


De kinderen hollen terug naar de herberg. Het duurt wel een half uur. Halverwege begint het keihard te regenen. Als ze er eenmaal zijn, zijn zij en de raven helemaal doorweekt. De raven zitten mistroostig op de schouders van de kinderen, behalve Blacky. Joost houd Blacky met beide handen vast. De raaf protesteert niet eens. Mam ziet ze komen door het keukenraam. Ze gooit de deur open. “Kom snel binnen!” Roept ze.
Pap komt aanrennen met handdoeken. “Ehm.. volgens mij zijn jullie met twee te veel.” Zegt hij. “Of jij hebt gewoon twee handdoeken te weinig.” Zegt Thomas. Pap geeft de meiden alle vier een handdoek en dan Joost. “Zeg wat doen die vogels hier?” Vraagt Mam. “Ze zijn tam.” Zegt Marieke. “Het is een eind vliegen naar het landhuis, waar ze nestelen.” Valt Jozefien haar bij. Pap gaat nog twee handdoeken halen.
Joost gaat op de vloer zitten en droogt eerst Blacky af. Thomas pakt een handdoek van pap aan en drapeert die over Joost z’n schouders. “Die vogel wordt vanzelf wel droog, maar jij wordt ziek als je niet uitkijkt.” Zegt hij. “Goh, misschien komt er toch nog wat van het terrecht.” Zegt pap. “Nou zeg Rutger.” Mam kan haar lachen maar nauwelijks onderdrukken. “We gaan de raven drogen met de fohn.” Zegt Lisa. “Nee dat gaan jullie niet, zet ze maar in de schuur, daar zitten ze warm en droog.” Zegt Pap. “Jullie gaan eerst die natte kleren uit doen, voor jullie allemaal kou vatten. Ik haal voor iedereen jogging broeken en t-shirts.” Zegt mam.
De kinderen brengen gehoorzaam de raven naar de schuur. De vogels zijn zo nat dat ze niet eens op kunnen vliegen om op de dwarsbalken onder het dak te gaan zitten. De arme dieren zitten met z’n allen op de grond en zien er nogal miserabel uit. “Arem drommels.” Zegt Maurits. “Die drogen wel op.” Zegt Marieke wijselijk.
De meiden drogen zich af en kleden zich om in de bijkeuken. De jongens in de schuur. Thomas helpt Joost met het drogen van z’n blonde haar. Marieke en Jozefien krijgen een shirt en joggingbroek van mam.

Als de kinderen allemaal zo droog zijn als mogelijk, zitten ze allemaal aan de keukentafel. Mam heeft warme chocomelk voor ze gemaakt. “Dank u wel, mevrouw Woudenberg.” Zegt Marieke beleefd. Mam’s shirt is een beetje te groot voor haar, maar dat vind Thomas niet zo erg. Jozefien paste mam’s shirt helemaal niet, en heeft er dus een van Maurits gekregen, want de shirts van de tweeling zijn net de klein. Maurits weet precies hoe Thomas zich voel. “Geen probleem hoor, we konden jullie moeilijk kou laten vatten.” Zegt Mam.
“Zijn raven normaal gesproken bang voor valken?” Vraagt Maurits. Marieke schudt haar hoofd. “Raven zijn groter dan valken en in een moord kunnen ze een valk zeker de baas.” Legt ze uit. “Maar toch waren ze bang.” Zegt Thomas. “Ja, wel vreemd.” Jozefien knikt. “Ik heb een slecht voorgevoel.” Zegt Maurits. Thomas knikt. “Ja, ik ook.” Zegt hij zacht. “Zou er iets aan de hand zijn met Raveleijn?” Vraagt Joost. “Ik denk dat we dat maar eens moeten gaan uitzoeken, morgen, als het droog is.” Zegt Thomas.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen