Foto bij Hoofdstuk 9

Faraj boog zich stilletjes over de kaart en nog geen minuut later keek hij op.
      “Dit wordt niet makkelijk.” Zijn vingers bleef hangen op een teken in het midden van de oceaan. “Hier. Zeemeerminnen.”
      “Zeemeerminnen?” Devan fronste. “Bestaan die echt?”
      Faraj knikte. “Mijn vader is ze ooit tegengekomen. Een vrouw met kieuwen in haar hals. Ze dook op en verdween.”
      “Mijn vader zei ook altijd dat hij een zeemeermin had ontmoet, maar ik dacht dat hij maar een verhaaltje vertelde.”
      “Nee.” Faraj schudde zijn hoofd. “Mijn vader is een eervol man. Hij zou niet tegen me liegen.”
      Devan keek heel even naar Rowan, alsof ze haar reactie probeerde te peilen. Toen knikte ze. “Oké. Dan kunnen we maar beter op ons hoede zijn.”
      Een deel van haar wilde hem niet geloven. Ze had een hoop tijd onder water besteed en ze had nooit een meermin gezien, maar aan de andere kant, waarom zou een selkie niet in zeemeerminnen geloven? Ze besloot niets te zeggen.
      “Nog meer?” vroeg ze.
      Faraj knikte. “In deze wateren,” zei hij, wijzend naar een groepje eilanden, “zit het vol piraten. Normaal gesproken blijven handelaren daar weg, maar…” Hij zucht. “Maar ik ben er geweest. Hier is waar mijn vader is vermoord.”
      “Oh.” De woorden komen uit haar mond voordat ze het doorheeft. “Sorry.”
      “Ja…” Hij zucht. “Ik bedoel, dat is niet jouw schuld.” Dan speelt er een lach om zijn mond en reikt hij naar zijn rapier. “Als ik hem zie…”
Hij hoeft zijn zin niet af te maken.
      “En hier?” vraagt Devan snel. Of het nou om afleiding is of om pure interesse, het werkt.
      “Het dodenrif. Menig overmoedig zeeman heeft hier zijn dood gevonden.” Zijn vinger strijkt zachtjes over de kaart. “Ze zeggen dat hun geesten hier nog ronddolen, zoekend naar hun schip.”
      Voor het eerst voelt ze haar vastberadenheid een beetje afnemen. Maar het was de zee. Haar zee. Ze was er nooit bang voor geweest als zeehond, dus waarom zou ze dat zijn als mens?
      Ze haalde diep adem. “Jullie willen nog steeds mee?”
      “Ja.” Devans antwoord was snel en vastberaden.
      “Ja.” Faraj twijfelde even, maar hij keek Rowan aan terwijl hij zijn antwoord gaf.
      “Oké.”
      Dan heb ik alles gedaan wat ik kan.
      “Dan varen we uit.”

Toen ze het zware anker binnenhaalde, zag ze hoe het begroeid was met mosselen. Het was duidelijk een hele tijd geleden dat iemand het had gebruikt. Ze had echter geen twijfels meer bij de boot. Klein als het mocht zijn, het was sterk en standvastig. Misschien was het de naam, maar ze had geen enkele andere gewild.
      Faraj heiste de zeilen, en Devan nam haar plek aan het roer in. Ze leek gemaakt te zijn voor die positie: haar handen lagen ontspannen, maar kundig op het wiel en haar lange haar wapperde in de wind. Ze betrapte ook Faraj erop bewonderend naar haar te kijken, en ze glimlachte naar hem. Ze moest hem nog iets geven.
      Terwijl Devan hen de baai uit leidde, liep Rowan naar Faraj toe, die de zeilen vast knoopte. Hij was een goede keuze geweest.
      “Ik moet je iets geven,” zei ze, terwijl ze onder haar kleding reikte naar haar kaart. “Hier. Hier kun je vinden waar de schat is.”
      Iets in haar wilde haar hand terugtrekken voordat hij het van haar kon aannemen, maar ze kon niets anders dan hem vertrouwen.
      “Dank je,” zei hij. Hij vouwde de kaart open alsof het niets betekende. Hij had geen idee.
      “Dat is precies wat ik vreesde,” zei hij na een lange stilte. “Zie, we moeten of vlak langs het dodenrif of om de eilanden heen. En hier,” zei hij, terwijl zijn vinger rustte op één van de eilanden, “zit een piratennest. De meeste koopmannen weigeren zelfs in deze buurt te komen.”
      “En jij?”
      Hij zuchtte en vouwde de kaart op. “Ik vrees niets meer. Maar het is aan jou, kapitein.”
      Kapitein.
      “We zijn er nog niet,” besloot ze uiteindelijk. “Het zal de keuze van ons allemaal zijn.”
      Faraj knikte en ze voelde zijn ogen op haar toen ze zich omkeerde en op de boeg leunde en over de zee heen staarde. Ze was hiervoor geboren, voor de geur van zout in haar neus en het zachtjes deinen van de golven. Alles in haar schreeuwde in het water te springen, fluisterde verhalen over koelte en vrijheid, gewichtloosheid, in haar oren. Het was de zeehond in haar die wilde springen, en het mens in haar dat haar tegenhield. Nog niet.

Reacties (4)

  • Necessity

    Dat gaat nog wel wat moeilijkheden opleveren zo te horen!

    2 jaar geleden
  • Grace

    LET'S GO

    2 jaar geleden
  • Croweater

    Laat het avontuur maar komen! :3

    2 jaar geleden
    • Croweater

      Oh meh nu moet ik wachten. Ik zat er met lekker in!

      2 jaar geleden
  • Delahaye

    Aah, dat klinkt niet als een reis zonder gevaren!

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen