Foto bij H.84.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Evan... je weet dat dit anders is... ik... ken je James Grint, Evan?’ sputter ik, proberend te verhullen dat ik bang ben.
Ik had me nooit voor mogelijk gehouden dat Evan me ooit bang zou maken.
Hij klemt zijn kaken even op elkaar, zijn gezicht een en al minachting.
‘Ja, ja ik ken hem.’

Even ben ik stil.
Ik had een goede rede om in die wereld te zijn.
Ik zou me geen situatie kunnen voorstellen waarin dat ooit voor hem ook zo was.
‘Evan?’ vraag ik dan en ik voel een vreemde druk op mijn borstkas,’ Gebruik jij drugs?’
Hij maakt een vreemd gebaar met zijn hand, stapt naar mij toe, maar opnieuw loop ik op dat moment iets achteruit.
‘Gioa, natuurlijk niet!’
Ik slik.
‘Hoe ken je hem?’ vraag ik opnieuw en mijn stem is verrassend kil.
Hij steekt een hand naar me uit om me aan te raken, maar ik draai me weg en schud zacht mijn hoofd.
Ik ben in de war en ik weet dat ik nog minder helder na zal kunnen denken als hij zijn hand op de zijkant van zijn wang is.
Vermoeid haalt hij een hand door zijn haar.
‘Aan het begin van dit jaar liep ik over straat en ik zag Mike - je weet wel, diegene die bij biologie bij ons in de klas zit. Die wat oudere. Hij werd aangevallen door... door die James Grint. Ik heb hem tegen kunnen houden, maar anders was Mike nu dóód geweest.’
Opnieuw slik ik, maar het gaat moeizamer, deze keer.
Er moet een reden voor zijn.
Mike is pas 19.
James moet een reden hebben om hem aan te hebben gevallen.
‘En ik wil dus niet dat jij met zo iemand als hem omgaat!’
Hij schreeuwt het bijna en ik krimp ineen.
‘Jij kent hem niet zoals ik hem ken, Evan.’ mompel ik, bang hem nog bozer te maken.
Hij kijkt op.
‘Niet te geloven! Hij is gevaarlijk, Gioa! Het kan me niet schelen hoe jij hem kent, ik hou je bij hem uit de buurt!’
Ik kijk op en er glinsteren tranen in mijn ogen.
‘Schreeuw niet tegen me.’ fluister ik, zo zacht en gebroken dat het meer impact heeft dan als ik het naar hem geroepen had.
Hij zwijgt en haalt een hand door zijn haar terwijl hij diep ademhalend een langzaam rondje rond zijn as loopt.
‘Sorry.’ zegt hij dan en ik ga er niet op in.
Heel even ben ik stil en de gedachte dat ik hem helemaal niet zo goed ken als dat ik denk dat ik doe, maakt me zenuwachtig.
‘Vertrouw je me, Evan?’ vraag ik dan zachtjes.
Hij zucht en kijkt me onbeholpen aan.
‘Natuurlijk vertrouw jóú, Gioa. Ik vertrouw alleen die verdomde James Grint niet!’ zijn stem schiet weer de lucht in en geschrokken stap ik achteruit, waardoor mijn rug de muur vindt.
Ik probeer mezelf eraan te herinneren dat hij me nooit pijn zou doen, maar ik voel zonder dat ik het tegen kan houden mijn ademhaling gejaagder worden.
Bijna claustrofobisch ben ik me ineens overbewust van de muur tegen mijn rug.
‘Evan, hou op.’ prevel ik met verstikte stem.
Hij reageert niet en ik hoop dat hij het gewoon niet gehoord heeft en het niet is dat hij me negeert.
‘Wat dacht je wel niet, Gioa?! Je had het me moeten vertellen!’ briest hij.
‘Niet doen.’ mompel ik, maar het is nauwelijks hoorbaar.
Zijn huis lijkt op dat van mijn moeder.
Ik weet dat hij het niet zo bedoelt, maar het lijkt zo ontzettend veel op wat ik jaar in jaar uit heb meegemaakt, dat ik in paniek raak.
Hij stapt naar me toe en wanneer ik zijn vingertoppen langs mijn bovenarm voel, knapt er iets binnenin mij, neemt mijn instinct het over.
Ik draai me weg om naar de deur te rennen, denk niet na, maar mijn bewegingen zijn te onverwachts en snel, waardoor mijn hersenschudding ervoor zorgt dat ik vlekken voor mijn ogen zie en de zijkant van mijn hoofd tegen de muur stoot.
Iets van een kreet komt uit mijn mond en mijn hand vliegt naar mijn slaap.
Het bloedt niet, maar er gaat wel een blauwe plek komen.
En voor een paar seconden doet het ontzettend veel pijn.
Evan raakt volledig in paniek, snelt naar me toe.
‘Gioa, ben je oké?’ al zijn boosheid lijkt als sneeuw voor de zon te zijn verdwenen,’ Het spijt me zo ontzettend.’
Twijfelend voel ik hoe hij mijn schouders vastpakt, onzeker over het feit of ik nog steeds boos op hem ben, maar als hij voelt dat ik me tegen hem aan druk slaat hij iets zekerder zijn armen om me heen.
Hij blijft zichzelf verontschuldigen en zegt keer op keer dat het niet zijn bedoeling is, vraagt telkens opnieuw of het veel pijn doet.
‘Het spijt me’, fluister ik als ik doorkrijg dat hij de traan die over mijn wang rolt en ik niet op tijd weggeveegd heb heeft gezien,’ Jij hebt niets gedaan.’
‘Ik heb alles gedaan, Gioa’, zegt hij en zijn stem trilt, alsof hij huilt - ik ben te bang om op te kijken om te zien of ik gelijk heb,’ Het spijt me zo verschrikkelijk erg.’
Even haal ik haperig adem.
‘Ik raakte gewoon in paniek. Het was gewoon de manier waarop je daar stond en het deed me denken aan...’ ik durf de zin niet af te maken.
‘Aan je ouders.’ vult hij schor aan.
Ik bijt op mijn lip en knik zachtjes.
‘Ja.’ beaam ik zachtjes.
Voor een tijdje zijn we stil en ik laat me gewoon meedeinen op het ritme van zijn ademhaling, ook al is die sneller dan normaal.
‘Je bent nu toch niet bang voor me? Ik... ik wil niet dat je bang voor me bent.’ smeekt hij me haast met trillende stem en hij klinkt zo verschrikkelijk gebroken.
Ik maak me van hem los en kijk hem indringend aan.
‘Natuurlijk niet, Evan.’ beloof ik hem, maar het lijkt niet te werken.
Ik ben niet bang voor hem, maar het lijkt haast alsof dat wel voor hem geldt.
‘Ik wilde je niet bang maken. Ik...’ gaat hij verder met zich verontschuldigen en ik schud mijn hoofd ten teken dat hij dat niet hoeft te doen, maar hij stopt niet,’ ik wil niet dat je denkt dat ik er überhaupt toe in staat zou zijn om je pijn te doen. Ik wil niet dat je denkt dat ik net als je ouders ben. Ik-’
‘Evan’, onderbreek ik hem en hij kijkt me zo hulpeloos aan dat ik bijna spontaan in huilen uitbarst,’ Dat denk ik helemaal niet.’
Hij wilt zijn mond weer openen om iets te zeggen, maar ik schud mijn hoofd.
‘Echt niet.’ fluister ik.
Even lijkt het alsof hij toch iets wilt zeggen, maar hij bedenkt zich.
Zodra ik zeker weet dat hij zichzelf niet ineens haat, pak ik mijn telefoon van het aanrecht, toets een nummer in.
Evan komt naast me staan.
‘Wie bel je?’ vraagt hij, om de een of andere manier achterdochtig.
Ik kijk iets twijfelend naar hem op, maar mijn stem is zeker.
‘James Grint. Om te vertellen dat we langskomen.’

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen