33.

(2024)

De laboratoriumuitslag van het witte poeder op het gezicht van Mischa Waltman was binnen.
      Het bleek gehydrateerd calciumsulfaat te zijn, ook wel bekend als gips.
      “Gips?” Manet haalde zijn schouders op. “Waar wordt dat voor gebruikt? Als kunstmest toch? Dat is op zich wel logisch. Ze is op een boerderij gevonden.”
      Styles legde de map terug op zijn bureau. “Niet in deze hoeveelheden. Ik heb het nagevraagd bij Willer. Die heeft het dit jaar nog niet gebruikt en zijn buurman aan de andere kant van de weg ook niet, wat betekent dat het ergens anders vandaan komt.”
      “Misschien had de dader kunstmest in zijn auto liggen?”
      “Kan zijn, maar de kofferbak voering zelf was schoon, op de sporen na die van het lichaam af kwamen. Mischa moet het al op haar gezicht hebben gehad voor ze erin werd gelegd.”
      “Dus wat zoeken we dan? Een kunstmestfabriek die -”
      “Of een boerenschuur” onderbrak Growner hen.
      Styles ging op de rand van zijn bureau zitten.
      “Of het atelier van een beeldhouwer.”
      Growner keek ontzet. “Oh nee.”
      “Hier” Styles deelde wat papieren uit. “Leesvoer voor na je werk. We zijn op zoek naar een copycat van een reeks moorden die ruim vijfentwintig jaar geleden heeft plaatsgevonden en het DNA is mannelijk.”
      De tijdsperiode knaagde aan hem. De aanrijding van Audrey Callaghan was in exact dezelfde week gebeurd als die oude moorden. Nu was ze toevallig terug in Lassiter en begonnen er opnieuw doden te vallen.

Zodra zijn dienst erop zat, haalde Styles een exemplaar van Audrey’s boek uit de plaatselijke boekhandel, reek naar huis en begon te lezen.
      Om twee uur in de nacht belde hij Manet uit bed en vervolgens de commandant. Het kon zijn dat Audrey de archieven over de moorden had bestudeerd, maar sommige details waren nooit openbaar gemaakt. Het kon ook zijn dat het een griezelig toeval was, maar dat leek hem sterk.
      Om zes uur liep hij het bureau binnen, pakte een dossier van Manet’s bureau en begon het verslag van de inbraak bij Audrey’s huis door de te nemen en de verklaring die haar buurvrouw Cher Jones had afgelegd, dat Audrey’s ex-man ook langs was geweest. Volgens Ms. Jones had hij zich geen toegang verschaft, maar alleen aangebeld.
      Styles maakte een notitie en pakte de telefoon.
      Tien minuten later kwam er een bestand binnen in zijn mailbox. Terwijl hij het las, verkrampten zijn kaken. Audrey was terughoudend geweest over Dylan Hill en hij had niet verder aangedrongen. Haar ex was een privékwestie, maar nu niet meer. Hill had haar meer dan een mishandeld en ook nadat ze hem had verlaten, was hij haar blijven belagen. Ze had geen aangifte gedaan, maar wel een contactverbod aangevraagd. Haar ex mocht niet binnen een straal van twee kilometer van haar woning komen.
      Hij zou Hill’s gangen nagaan, hoewel hij uit diens beschrijving geen beeld had gekregen van een moordenaar.
      Daardoor was hij weer terug bij af; op zoek naar een copycat die zijn methode baseerde op een van de meest bizarre misdrijven ooit gepleegd.

Om zeven uur deed Audrey de deur open en stapte opzij om Styles binnen te laten. Hij zag er moe en verfomfaaid uit, met donkere kringen onder zijn ogen, alsof hij niet had geslapen.
      Hij legde haar boek op de salontafel, samen met een exemplaar van de Lassiter Daily. “Heb je de kranten gevolgd?”
      “Niet sinds ik hier ben, nee.”
      Ze pakte het ochtendblad op, ging zitten en las het voorpagina-artikel over de twee meest recente moorden in Lassiter. Al haar nekharen kwamen overeind.
      Haar stem was vlak. “Toen ik dit boek schreef, was het net naar buiten gekomen. Ik weet niet waar het idee of de details vandaan kwamen en het stond me tegen wat ik schreef, maar dat was het verhaal, dus zo heb ik het opgeschreven.”
      Het probleem was dat de moorden op een griezelige manier met haar verband leken te staan en op het moment was zij, los van een stapel oude dossiers, hun enige aanknopingspunt.
      Styles liep naar de openslaande tuindeuren en staarde naar buiten. “Het kan zijn dat iemand het heeft gelezen en die eerste moord heeft gepleegd om jouw aandacht te trekken.”
      “Met mijn boek als richtlijn.” De gedachte deed haar huiveren.
      Zijn blik schoot terug naar haar. “Met Carmichael’s dood en een tweede stalker in beeld, moesten we van het ergste uitgaan.”
      Haar verleden zou met een stofkam worden doorgenomen, besefte ze en daar had ze geen bezwaar tegen. Het was zelfs mogelijk dat ze iets zouden opgraven wat zij over het hoofd had gezien en wat kon helpen haar familie te traceren.
      Ze was zich ervan bewust dat ze nog niet volledig was vrijgepleit. In zekere zin bleef ze verdachte, maar nu hadden ze een mannelijke verdachte die beter in het profiel paste.
      “Nog één ding. De oude moorden zijn precies rond de tijd van jouw aanrijding opgehouden. Het kan toeval zijn, maar…”

Bij de voordeur van seniorencomplex Charpentier drukte de man op de bel en wachtte af, zijn vingers achter zijn rug ineengestrengeld terwijl hij het terrein afspeurde, hoewel er door de dikke glazen van zijn bril weinig interessants te zien viel aan de tuin.
      Uiteindelijk werd er opengedaan door een jonge vrouw in een lichtblauw uniform. Hij deed zijn verzoek en volgde haar door een reeks schemerige gangen die ten slotte uitkwamen op een zonnige serre.
      De zuster schudde een bejaarde man aan zijn schouder om hem uit zijn middagdutje te wekken.
      Aaron Walsh schoot met een ruk overeind, wat alleen maar gebeurde als hij diep in slaap was. Knipperend keek hij naar de medewerkster die hem had vastgepakt. Wilma. “Het is toch nog geen tijd voor mijn pillen, hé?”
      “U hebt bezoek. Uw neef.”
      Aaron schermde zijn ogen af tegen het felle licht, suffig en prikkelbaar. Hij voelde zich verfomfaaid, hij moest nodig naar de wc en de zon was heen genoeg om eieren in te bakken. Het was nog een wonder dat hij niet was omgekiept door uitdroging. Hij reikte naar de bidon op de tafel naast hem terwijl Wilma de bezoeker naar een stoel loodste. “Ik herinner me geen neef” mompelde hij chagrijnig. “Ik heb ook geen neef.” Maar de deur was al achter Wilma dichtgevallen.
      “Wie ben jij?” vroeg hij scherp. Hij mocht dan op leeftijd zijn, zijn rug en heupen mochten dan versleten zijn van te veel zwaar tillen, op zijn verstand viel nog niets aan te merken. Hij zou zweren dat hij de figuur met de kille ogen die naast hem zat nooit eerder had gezien. “Je bent aan het verkeerde adres.”
      “Ik ben de zoon van uw zus Clare.”
      Aaron kneep zijn ogen tot spleetjes. “Clare had geen zoons. En Vera ook niet.” Hij was de enige in de familie die ooit een jongen had gekregen en dat was er maar een. De schaarste aan zoons was een familie grapje geworden. Hoe oud hij ook was, dat zou hij niet zomaar vergeten.
      De man stak zijn hand in zijn zak en haalde er een boekje uit. “Ik denk dat ik eerder een huisvriend ben dan een bloedverwant” zei hij ontspannen en hij gaf het aan Aaron.
      Aaron draaide het om en nam het argwanend op. Toen hij zag dat het een bijbel was, ontspande hij. Dat was typisch iets voor Clare, die hem voortdurend de Heilige Schrift wilde laten lezen. Niet dat hij er bezwaar tegen had, maar…
      Er stak iets scherps in zijn arm en hij schokte. “Wat moet dit -”
      Een grote hand klemde zich over zijn mond en smoorde zijn protest. De pezige spier van zijn biceps verkrampte terwijl de naald er weer uit werd getrokken.
      Hij klauwde naar de vingers die zijn gezicht bedekten. Wat er zojuist ook in zijn lichaam was gespoten, het joeg meteen zijn hartslag op en maakte hem kortademig. De kamer begon om hem heen te draaien, toen weg te glijden, maar Aaron klampte zich stevig vast. Even verderop lag de bejaarde Charles Viller te dutten, zijn mond openhangend. Als hij Charles’ aandacht kon trekken, kon die het alarm indrukken. De greep om zijn wangen verstrakte, dwong zijn hoofd achterover in de leunstoel en perste zijn neusgaten dicht. Vaag hoorde hij nog de plof waarmee de bijbel op de grond viel.

Damian Campbell draaide het parkeerterrein van het seniorencomplex op. Zacht fluitend pakte hij twee ijskoude blikjes bier, stak ze in zijn broekzakken en schoof zijn jasje over de bobbels heen. Niet dat hij dacht dat de zusters zijn trucje niet doorhadden - ze wisten dat Aaron en hij altijd stiekem een pilsje namen - maar de poppenkast was nu eenmaal noodzakelijk. Zoals Aaron altijd zei: regels waren regels.
      Hij schoof een exemplaar van het wekelijkse sportkatern onder zijn arm. Het tehuis had een abonnement op de krant, maar die ouwe sokken knokten erom. Op een keer was de krant onder Charles Viller’s matras verdwenen en Aaron had met een vier gezicht verklaard dat hij hem uit principe en hygiënische overwegingen niet meer aan zou raken.
      Wilma liet hem binnen en loodste hem met een knipoog naar de serre. Damian onderdrukte een grijns. Oh ja, ze had het door.
      Terwijl hij de deur door stapte, deed een vage geur zijn neusvleugels trillen. Charles zat in de hoek, dat zou de reden wel zijn. Hij zou Wilma moeten roepen om de oude te verschonen, maar als hij dat deed, zou het personeel in- en uitlopen. Charles ophalen en luchtverfrisser rond spuien en zou Aaron zijn biertje niet krijgen.
      Hij liep naar Aaron’s stoel en zag dat hij lag te soezen. Hij fronste, meteen bezorgd dat hij ziek was. Meestal deed Aaron na de lunch een dutje, maar het was inmiddels al over drieën. Hij had al lang weer rond moeten scharrelen. Na zijn laatste heupoperatie was zijn mobiliteit nog steeds beperkt, maar hij bewoog graag zo veel mogelijk. Los van de heupproblemen die Aaron had gehad was hij zo fit als een hoentje.
      Damian haalde de blikjes bier uit zijn zakken, zette ze op de salontafel en ging in de leunstoel naast Aaron zitten. Zijn frons werd dieper. De stank was haast tastbaar en hij kwam niet van Charles, maar van Aaron.
      Hij overwoog wat hij moest doen. Als hij Aaron wakker maakte, zou die beseffen dat Damian wist dat hij zichzelf had bevuild en het laatste wat Damian wilde, was zijn vriend in verlegenheid brengen. Toch besloot hij hem maar te wekken Ze kenden elkaar al eeuwen, hun vriendschap was wel tegen wat schaamte bestand.
      Toen hij Aaron’s schouder vastpakte, voelde de huid onder het overhemd koud aan. Damian maag kromp ineen terwijl hij hem steviger vastgreep en schudde. Het hoofd van de bejaarde man zakte opzij en met een ruk trok Damian zijn hand terug. Die holle blik had hij eerder gezien. Aaron was dood.

Damian volgde de schouwarts naar haar auto. “Hij hoort niet dood te zijn.”
      Anja Benson zette haar koffer in het losse grond en rommelde in haar tas op zoek naar haar sleutel. “Niemand heeft het eeuwige leven, Mr. Campbell.”
      “Aaron had er in elk geval in de buurt moeten komen. Hij heeft zoveel mensen gered.”
      “Als dat de voorwaarde was, dan zou iedereen in de gezondheidszorg hoogbejaard worden en we weten dat dat niet het geval is.”
      Damian probeerde zijn frustratie niet langer onderdrukken. “Aaron was niet zomaar iemand.”
      “Ik heb gehoord dat hij een bijzondere gave had.”
      “Jij mag het hebben gehoord, ik heb het met eigen ogen gezien en meer dan eens. Wanneer Aaron dienst had, ging er niemand dood, zelfs niet degenen die zogenaamd al waren overleden.”
      Ze zette het koffertje op de achterbank en opende het linkerportier. “Hij was over de tachtig. Je zult er toch wel rekening mee hebben gehouden dat dit kon gebeuren?”
      Damian staarde de keurig onderhouden tuin in. Het gewicht van de blikjes in zijn zakken herinnerde hem eraan hoe Aaron en hij het afgelopen uur hadden zullen doorbrengen. “Hij was niet ziek.”
      “Voorlopig wijst alles erop dat zijn hart er de brui aan heeft gegeven.”
      “Hij had geen hartkwaal.”
      “Niet één die was vastgesteld.”
      “Vastgesteld, mijn reet. Alles werd om de haverklap gemeten bij hem. Zijn hart was prima. Hoe zit het met die blauwe plekken op zijn gezicht?”
      Benson’s uitdrukking werd kil. Damian zag haar denken aan het mijnenveld dat de media rond Aaron’s dood zouden aanleggen: aantijgingen van ruwe behandeling van ouderen, gevolgd door een stuk over wantoestanden in de gezondheidszorg. Alleen was hij bij wijze van uitzondering niet uit op een verhaal, hij was uit op de waarheid.
      “Hij kan zich op allerlei manieren gestoten hebben. Toen hij voorover viel in zijn stoel bijvoorbeeld.”
      “Die plekken zaten er al voordat ik aan hem schudde.”
      “Mr. Campbell, zijn familie heeft het geaccepteerd.”
      En hij was geen familie, hij was maar een kennis, impliceerde ze.
      “Kan me niet schelen. Ik wil dat het tot op de bodem wordt uitgezocht.”
      Er klopte iets niet. Zijn oma zou zeggen dat hij spoken zag, zijn reporters neus achterna liep, maar Damian zou geen duimbreed wijken. Zijn instinct riep dat er iets niet in de haak was. Misschien reageerde hij inderdaad wel overdreven, was hij inderdaad te drammerig. Volgens zijn vrouw streek hij mensen geregeld tegen de haren in, maar hij kon nu eenmaal niet anders zijn dan hij was. Aaron had hem altijd aangemoedigd eerlijk en verantwoordelijk te zijn, de waarheid te vertellen, wat er ook gebeurde. Als het niet om hem was geweest, had hij de journalistiek al jaren geleden de rug toegekeerd en had hij zeker niet naar de functie van hoofd verslaggever gesolliciteerd. Hij stond bij de oude man in het krijt.
      Aaron mocht dan over de tachtig zijn geweest, hij was nog veel te levendig geweest om te sterven. Damian was vastberaden te achterhalen wat er precies mis was gegaan.
      Nadat Benson in haar auto was gestapt, trok ze het portier achter zich dicht. Het raampje gleed zwak zoemend omlaag. “Ik geloof niet dat er reden is voor sectie, maar omdat het Aaron is… zoals je net zegt: hij heeft veel mensen gered.”
      “Wie gaat het doen?”
      “Hangt ervan af wie er dienst heeft. Reinder of Burns.”
      “Ik wil Reinder.”
      Benson schudde haar hoofd en startte de motor. “Daar ga jij niet over.”
      “Jij wel. Regel het maar.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen