Foto bij Hoofdstuk 10

Ze schrok op van haar overpeinzingen van een triomfantelijke schreeuw die van het roer vandaan kwam.
      “We zijn er! We gaan echt!”
      Faraj glimlachte naar Devan en ze lachte hardop. “Bedankt, Rowan.”
      “Voor wat?”
      “Voor het avontuur. Ik kan niet geloven dat ik echt op zoek naar een schat ga, net zoals papa.”
      Rowan trok haar wenkbrauwen op. “Finnian heeft me nooit verteld over een schat.”
      “Hij vertelde ons altijd over hij en zijn beste vriend de zeeën over voeren op zoek naar mysterieuze schatten. Ik dacht dat het onzin was, maar als zeemeerminnen bestaan…” Ze keek naar Faraj. “Dan heeft hij misschien ook hierover wel de waarheid verteld.”
      Misschien had ze gelijk. Het was vreemd dat ze in dit uur meer over Finnian te weten was gekomen, door zijn dochter, dan dat hij haar ooit zelf had verteld. Ze had nooit gedacht dat hij meer dan een visser was. Maar voor een lange tijd had hij ook nooit gedacht dat zij meer dan een eenzame vrouw was.
      “Deze schat is wel echt toch, Rowan?”
      Het was pas toen ze Devan’s grijns zag, dat ze ontspande. “Ja.” Voor mij, in elk geval.
      “Geen zorgen, Rowan.” Devan lacht nog steeds. “Ik ben hier niet voor goud.”
      Goed, dacht ze, want we zullen het niet vinden.

Al snel verdween de haven van de horizon en kwamen ze voorbij de normale vaarwateren voor de vissersbootjes. Devan stond nog steeds achter het roer, nu met één hand losjes en haar ogen turend in de verte. Faraj was naar binnen verdwenen. Het gaf haar nog steeds ongemakkelijke kriebels als ze dacht aan hem met haar kaart in zijn handen, maar ze wist heel goed dat ze maar weinig keuze had.
      Ze schrok weer op van haar gedachten door een gespetter dichtbij de boot. Het is te luid om eenvoudigweg van een grote vis te zijn, en toen ze het geluid volgde, werd ze begroet door een aangezicht die ze jarenlang alleen van ver had gezien: een zeehond.
      Haar hart stond even stil. Een zeehond, zo dichtbij. Het is alsof het dier het wist, alsof hij haar herkende, maar zij herkende hem niet. Hij was grijs en keek intelligent uit zijn donkere ogen. Ze wist dat zeehonden soms vissersboten volgden, in de hoop een graantje, of een visje mee te pakken. Maar hij moest weten dat zij geen vissers zijn, al is het alleen maar door zijn neus.
      “Hallo,” fluisterde ze naar het dier.
      Hij reageerde met een klein knikje van zijn kop, alsof hij bevestigde haar gehoord te hebben, misschien zelfs begrepen. Toen dook hij onder water en het moment was voorbij.

      “Zei je iets, Rowan?” vroeg Devan.
      “Hmm?” Ze keek op. “Nee. Nee, niets.”
      Ze leek met dat antwoord genoegen te nemen, en keek pas weer op toen Faraj met haar kaart in zijn handen naar buiten kwam.
      “Kapitein?” Ze kon maar niet wennen aan die term.
      “Ja?”
      “Kun je met me mee kijken?”

Binnen in de kapiteinshut ging Faraj haar voor naar de grote kaart en legt de hare ernaast. Haar kaart leek ineens zo klein en zo amateuristisch, met de kronkelige lijnen en vlekkerige symbolen.
      “Het is precies waar ik bang voor was,” zei hij, “er is geen ontkomen aan de zeemeerminnen, tenzij we omvaren. Maar dat kan maanden duren en daar hebben we geen proviand voor.”
      Ze knikte langzaam. “Ik begrijp het.”
      “Dan is er het rif.” Hij was even stil en keek naar haar. “Heb je al besloten wat je daarmee wil doen?”
      “Ik weet het niet.” Ze zucht. “Ik wil voorkomen in de handen van piraten te komen, maar jij…”
      “Ik wil ook niet in de handen van piraten komen. Als het kan, vermijd ik liever Cowell tegen te komen in het gezelschap van zijn piraten vriendjes.”
      “En ik vermijd hem liever helemaal,” zei ze, iets harder dan ze bedoelde.
      Het duurde even voor ze een antwoord kreeg. “Ik begrijp het. Je bent niet op dezelfde queeste als ik. Maar uiteindelijk brengt het ons naar dezelfde plaats.”       Zijn vinger blijft hangen op het eiland met het kruis. “Zet me daar af en ik regel de rest wel.”
      “Je bedoelt toch zeker niet dat je zelf Cowell wil gaan vermoorden?”
      Hij keek haar aan. “Ik weet wat ik doe. Het is de eer van mijn vader die ik wreek, en het is Allah die mij de kracht zal geven dat te doen.”
      “Allah?”
      “God. Dat is jullie woord voor hem. God.”
God.
      “Jullie geloven in Hem, toch?”
      Er is geen God voor een Selkie. Voor een zeehond is het water een God, is de stroom een God, en de vissen en de zon. Misschien zijn ze allemaal hetzelfde, maar wat maakt het uit, zolang het hen gunstig gezind is?
      “Ja.”

Reacties (3)

  • Necessity

    Oehh zeehondvriendje ^^

    2 jaar geleden
  • Delahaye

    Ah, hij gelooft in Allah, cool!

    2 jaar geleden
  • Croweater

    Oei oei word maar niet te wraakzuchtig, vriend. Dat loopt zelden goed af.

    Zijn alle zeehonden trouwens selkies?

    2 jaar geleden
    • SonOfGondor

      Nope, niet allemaal! Het is dus maar een gokje waar je naar kijkt.

      2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen