Foto bij 77 - Scared

Amras zit diep in de shit. :")

waarom stond er een stok tegen de muur, hmm. Misschien omdat ze soms gekke criminelen hebben waar ze het eten naar binnen schuiven met een stok. Anders zijn ze straks nog vingers kwijt. En er is een soort etensvak daar ofzo.


En fanart te zien hierboven:)Nero met het amulet om zijn hals.

Een tijd geleden het laatste hoofdstukje, maar hij is lang + kunst dus hopelijk maakt dat iets goed. Enjoy:)

Amras
Ik had geen oog dicht kunnen doen. Angst, hongergevoel, wanhoop en kou waren hetgene wat me wakker hielden. Nu liep ik te ijsberen in de kleine ruimte die ik had, midden in de nacht. Zou Yarea veilig zijn? Zouden ze weten dat Nafal bij ons hoorde? Waar zijn ze nu? Hebben ze elkaar al gevonden? Hoewel het al uren geleden gestopt was met regenen was het koud en vochtig in de cel. Ik voelde me ellendig en ik voelde mijn lichaam zo heftig trillen dat ik even ging zitten. Er was geen water, geen eten alleen het moedeloos vooruitzicht en de eenzaamheid. Hoe moet ik hier in hemelsnaam uit komen? Hoe zouden ze me ooit kunnen vinden?! Wat als ze me nooit vinden... Tranen welde weer op in mijn ooghoeken, ik had al lang geleden de kracht niet meer om tegen ze te vechten. Wat zou pap hier wel niet denken? De gedachte vloog mijn geest in en ik antwoordde het in wrok. Hij was de laatste aan wie ik zou moeten denken. Even zat ik daar mijn hoofd vol watten en ik ben stil, ik luister naar de wind en de overgebleven druppels die afdalen. Het is stil, de blauwe gloed van het licht schijnt op de stenen en het water in de cel. Ik verstar als ik iemand van buiten naar het tralieraampje zie lopen. Yarea?! Ik kan niet zien wie het is, maar zouden ze me gevonden hebben. Mijn hart maakt een sprongetje. Maar dan het kan niet zo zijn, de persoon is veel groter dan Yarea zou zijn. Ik hoor hem mompelen, het silhouette blokkeert nu haast al het licht en dan onverwachts klatert het naar binnen. Ik laat een schreeuw als de vloeistof mijn cel binnenvalt en op de stenen alle kanten op vliegt. Angstig deinst hij achteruit terwijl ik hem uitscheld met elk woord dat me te binnen schiet. "Pis in een pispot! Ben je licht in je hoofd ofzo! Associale klote hommel! " gooi ik er nog achteraan vol afgunst, niet wetend wat ik eigenlijk aan het zeggen ben. Hij struikelt en valt op straat waarna hij het op het lopen zet. Aan de overkant zie ik een lichtje aangaan. Een idee schiet me te binnen. Aandacht trekken, dat is de enige manier.
"HEEEELP, HELP" schreeuw ik uit het raampje. Roepen alleen is niet genoeg. Ze hebben mijn spullen ingepikt, waar moet het dan mee? Ik roep nog een keer: "Hallo, help! Iemand, hier beneden!" Ik zie nog een lichtje aangaan. Oh als ze maar in de buurt zijn, laat ze alsjeblieft in de buurt zijn. Ik wacht even, geen antwoord. Ik hoor voetstappen maar het komt niet van buiten. Angst bespringt me als ik iemand de trap af hoor lopen. Maar ik kan deze mogelijkheid niet voorbij laten schieten. Ik schreeuw nog een keer om help, en duik dan snel op mijn bed terwijl zware voetstappen klinken door de gang.
"Kan het wat zachter!" wordt er ruw geroepen nog voordat de man bij mijn cel is, de stem klinkt rauw, chagrijnig en akelig bekend. Ik ben de enige gevangenen hier er zijn vast meer cellen, misschien zijn deze juist extra bewaakt. Voor belangrijke mensen...
"Oh, dat is een leuke verassing." klinkt het cynisch, een naar gevoel bekruipt me. Ik kijk om om te zien dat mijn onderbuikgevoelens gelijk hadden, het is Giltar.
De man die ons zo had gehaat. "Gedoemd te falen. Waar is dat kleine vriendinnetje van je". Hij komt akelig dicht bij de tralies staan. Boven hoor ik nog een aantal voetstappen, ik blijf stil. Geef hem geen aanleiding, ik heb geen macht.
Hij liet zijn blik glijden over mijn lichaam en grijnsde, maar zijn mond vertrok snel en zijn ogen gloeiden.
"Jullie hebben hem vermoord, Elinan. Hij had een familie wist je? Hij was mijn beste vriend en jullie namen dat van me af. En hij niet alleen, Delwin, Botulf. Ze waren zo jong en nu zijn ze dood en dat is jullie schuld, jouw schuld." Hij balde zijn vuisten en zijn ogen glinsteren. "Maar nu ben je hier en nu kan ik wraak nemen. Niet op dat kreng, maar jij bent goed genoeg." Zijn hand graait naar zijn belt en ik zie een bosje sleutels te voorschijn komen. Angst bekruipt me nu en ik voel mezelf langzaam bevriezen. Hij keek rond en pakte toen een stok die tegen de muur stond, hij staat weer tegenover de tralies. Zijn knokkels kleuren wit terwijl hij de stok vasthoud.
Ik kan me niets goeds voorstellen wat hij wilt doen, niemand zal weten dat hij het was geweest als ik hier morgen dood lig te bloeden. Boven klinken voetstappen. Ik voel me misselijk en duizelig, langzaam krabbel ik overeind. Het is hier plots zo koud, ik zie dat hij een sleutel in het sleutelgat steekt. Was Nero hier maar, of Yarea, Nafal, iemand. Ik voel een brok in mijn keel, ik kan niet tegen hem op, hij is te groot, te sterk. Ik heb niet meer gegeten en geslapen, ik voel de brok in mijn keel. Dan klinkt er een klik van het slot en dat is het moment dat ik begin te schreeuwen. "HELP!' De paniek in mijn stem is duidelijk te horen en ik deins achteruit tot in de hoek van de cel. "Help!, HELP" Ik schreeuw zo hard als ik kan, mijn keel brandt, Giltar komt op me afstormen met de knuppel in zijn hand geheven. De deur heeft hij open laten staan. Al schreeuwend duik ik langs hem heen, de knuppel landt hard op de grond. Hij draait zich om, de cel is klein, ik ben al bij de deur. Ik kan de vrijheid al bijna proeven, met mijn hand op de tralies en mijn voet er al door. Dan heeft mijn plan toch nog gewerkt, vreugde vult me. Dan voel ik een klap van achter en ik kan nog net zien hoe er mensen de trap af snellen. Ze rennen naar me toe, de pijn schiet door mijn hoofd en ik ben stil. Ik voel dat ik mijn voeting verlies en instort. Teleurstelling welt in me op. Zwarte vlekken verschijnen voor mijn ogen en ik kan nog net het gelaat van Allard opmaken, die voor me is verschenen. Nu ben ik veilig is de laatste gedachte die ik heb voordat ik bewusteloos raak.

Het is al ochtend als ik wakker word. Ik houd mijn ogen nog gesloten en ik voel hoe de frisse lentelucht langs me streelt. Mijn hoofd gonst nog na, een blauwe plek misschien en mijn keel voelt akelig ruw. Ik hoor dat de straten al bevolkt zijn, voeten, karren en paardenhoeven lopen over het pleintje voor mijn raam. Boven hoor ik ook mensen lopen, maar in de kerkers is het nog stil. Ik open mijn ogen, een aantal zonnestralen schijnen pas net in de cel tegen de grauwe stenen aan. Hoe zou het zijn met Yarea? Nafal? De wolven? De wolven, oh god, ze hadden de hele nacht al in het huis gezeten, opgesloten. Als ze maar niet er uit waren gebroken. Nero heeft mijn amulet. Ik schrok toen ik uit mijn ooghoek een dame bij de deur van mijn cel zag staan. Ze zette een bak neer, keek om zich heen en schoof het toen met haar voet onder de tralies door. Zo stil ze was verschenen, zo stil en snel was ze weer weg. Ik stond op en verheugd zag ik dat er brood en een beetje water in zat. Gulzig at ik het op en toen ik klaar was ging ik weer zitten op mijn bed. Ik dronk het water in een teug leeg, te snel, nog met een droge en pijnlijke schrale keel staarde ik voor me uit. Vandaag komt hij weer me verhoren en ik heb geen andere keuze dan de waarheid te vertellen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen