Foto bij Hoofdstuk 11

De wind speelde met haar lange haar terwijl ze de zeilen inspecteerde. Ze had gevreesd dat er misschien gaatjes in zouden zitten, maar van wat ze op de grond kon zien, zag het er goed uit. De stof was deels gebleekt door de zon en de regen, maar het was er nog, ondanks de minder dan subtiele kleurverschillen. Ooit was dit schip goed onderhouden.
      Devan’s enthousiasme leek nu een beetje gekoeld, nu de vermoeidheid van een lange dag erin was geslopen en de schemering begon in te zetten. Haar hoop te navigeren was nu op Faraj gericht - ze moest weer toegeven dat Finnian gelijk had - en zijn kennis van de nachtelijke hemel.
Hij zat nu naast Devan bij het stuur, starend naar de horizon. Ze kon alleen maar aannemen dat het iets met navigatie te maken had, maar de manier waarop zijn ogen af en toe afdwaalden van de horizon naar Devan, deed haar vermoeden dat dat misschien niet het geval was.
      Pas toen het donker helemaal inzette, gaf ze het bevel te pauzeren en te gaan eten. Het was nog steeds vreemd om bevelen te geven, en het lukte haar nog niet te geven met dezelfde vanzelfsprekendheid als Finnian had gedaan. Het feit dat Devan en Faraj naar haar luisterden, had vast meer te maken met hun welwillendheid dan enige vorm van autoriteit die ze uitstraalde.
      Boven de zee leken de sterren nog helderder te schitteren dan boven hun thuis.
“Zijn de sterren net zo waar je vandaan komt?” vroeg Devan aan Faraj.
      “Het zijn dezelfde sterren,” antwoordde hij, “maar ze zijn anders over de hele wereld. Ze lijken anders en toch zijn ze vertrouwd als ik opkijk.” Hij keek naar de sterren toen hij antwoordde. “Waar ik ook ga.”
      “Wauw.” Devan glimlacht. “Je moet op zoveel plekken zijn geweest.”
      Ze kon het niet goed zien in het donker, maar het leek bijna alsof hij bloosde. “Niet zoveel als je denkt, waarschijnlijk.”
      “Ik ben Hynvèn nooit uit geweest.” Ze lachte. “Alles is meer dan dat.”
      “Dat is waar.”
      “Dus waar kom je vandaan?”
      “Uit het Oosten,” zei hij. “Ik denk dat jullie het Perzië noemen?”
      “Perzië.” Haar stem klonk dromerig. “Ik heb erover gelezen.”
      Het voelde voor Rowan bijna alsof zelfs haar aanwezigheid een inbreuk was in dit gesprek, en gek genoeg vond ze het helemaal niet erg. Ze was blij dat haar reisgenoten het goed konden vinden, en ze liet haar gedachten afdwalen naar de zee onder haar, om haar heen, haar thuis overal nu.
      “Wat zeiden je boeken over mijn vaderland?”
      Ze giechelde nerveus. “Kamelen, paleizen.. Harems…”
      Hij lachte. “Harems?”
      “Ja, exotische koningen met hordes prachtige vrouwen aan zijn zijde. Is dat niet hoe het is?”
      “Nee,” zei hij. “Het is waar dat sommige mannen meerdere vrouwen hebben, maar ons heilige boek perkt het aantal vrouwen die we mogen hebben in.”
      “En jij?” Devan’s stem was bijna een fluistering, en Rowan had ineens de neiging op te staan en met een smoesje naar de kapiteinshut te vertrekken.
      “Ik heb er geen.”

“Willen jullie de eerste wacht nemen?” vroeg ze, in een poging te ontsnappen. “Dan ga ik slapen.”
      “Oh.” Devan leek nu pas te beseffen dat Rowan ook nog bestond. “Ja. We maken je halverwege de nacht wel wakker.”
      Haar onderbreking had nauwelijks effect op hun gesprek, en Rowan bleef heel even staan luisteren naar de onmogelijke dromen die Devan schetste van Perzië en de hartelijke lach van Faraj bij elk volgende sprookje. Rowan wist niet hoe het zat in Perzië, maar hier in Ierland had ze geleerd dat er altijd een kern van waarheid in verhalen zat, al was het alleen maar omdat ze zelf die kern was. Ze wist echter niet of ze die ook kon toepassen op Europese schrijvers die meer van hun eigen fantasie wisten dan van verre landen. Ze vroeg zich af hoeveel mensen wisten van Selkies.

Het bed in de kapiteinshut was eenvoudig en hard, maar het was niets anders dan ze gewend was. Haar kaart lag op het bureau naast de grote kaart en ze nam aan dat Faraj het niet meer verder nodig had. Toen ze haar ogen sloot, hoorde ze nog vaagjes de stemmen van haar reisgenoten en de zee die tegen hun schip aansloeg. De zachte schommeling wiegde haar langzaam in slaap, en in haar dromen dook ze onder water, haar handen weer flippers en haar haar weer vacht. Voor het eerst in zo lang was ze weer haarzelf.

Reacties (1)

  • Croweater

    Wat interessant dat hij uit Perzië komt. ^^
    Ik hoop maar dat ze zich niet buitengesloten gaat voelen...

    3 weken geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen