De muren van het huis verstikten me. Ik moest naar buiten. Terwijl de gedachte door mijn hoofd schoot, rende ik al door de gang. Met een kracht die ik niet van mezelf kende, smeet ik de deur achter me dicht.
Een adembenemende storm rees op in mijn borst. Vlammende woede, frustratie en tegelijkertijd leegte. Ik had geen idee wat ik voelde, maar het scheurde me uit elkaar. Steeds sneller tikten de stoepstenen onder mijn voeten weg. De volgende straat, de stoep op, de bocht om. Maar het lukte me nauwelijks om afstand te scheppen. Ik wist niet eens waarom, maar ik moest weg. Mijn haast uitte zich in een snikkende, gierende ademhaling Dit was de zoveelste keer. De irritatie, de frustratie, de wanhoop.
Door de razernij in mijn hoofd heen, besefte dat ik niet boos was. Ik was verdwaald. Ik wist niet meer wat ik wilde. Ik wilde niet meer waarvan ik ooit wist dat het mijn droom was. Alles ging mis en ik wilde schreeuwen zonder dat ik het kon. Het was het vuur van paniek en angst dat in me brandde. Angst, en ik wist maar niet waarvoor.
Ik kon alleen maar rennen zonder er ooit aan te ontsnappen.

De lucht kleurde donkerblauw toen ik het bos naderde. Gedachten joegen door mijn hoofd in een niet bij te houden tempo. Stampend vonden mijn voeten de weg over het weiland. Ik probeerde nog harder te rennen. Te rennen voor mijn gedachten. Ze schreeuwden tegen me zonder dat ik er iets van begreep.
Ik wist niet meer wat ik deed.
Ik wist niet meer wat ik wilde.
Ik wilde niets. Ik was bang. Bang om niets te willen. Mijn angsten joegen me na. Vermomd als de wind, maar niet verkoelend. Niet fris, niet adembenemend. Snijdend. Ze hadden me in hun greep en ik kon niet meer zien wat er om me heen gebeurde.

Door het bos rende ik naar beneden. Ik kende de prachtige weg, maar vandaag zag ik niets van het bos. Rennen. Het was het enige wat ik kon en het was niet genoeg. Niet genoeg om te ontsnappen aan mijn gedachten. Ik was al bijna beneden in het dal. Met een ruk minderde ik vaart toen mijn voet achter een steen bleef hangen. Ik klapte naar voren. Mijn gezicht raakte de grond en ik rook de geur van vochtige aarde.
Voor het eerst vandaag drong het echt tot me door dat ik in het bos was. De plaats waar ik normaal mijn rust vond. Even bleef ik zo liggen. Ik twijfelde erover om nooit meer overeind te komen en te wachten tot het bos me liet verdwijnen. Ik kon alles niet meer dragen. Ik wilde opgeven.
Maar ik verdween niet. Het bos verwelkomde me langzaam.

Ik wist niet hoe lang het duurde voor ik overeind kwam. Het vuur in mijn borst was gedoofd. Tussen de rook van mijn gedachten door lukte het me even om adem te halen. Nog geen meter voor me glinsterde het water aan de oever van het meer. Inmiddels was het donker. Ik pakte een steen en keilde hem over het spiegelende oppervlak. Het water kringelde en veerde terug toen de steen erin plonsde In de schemering leek het zwart, oneindig diep en adembenemend.
Adembenemend mooi. Vredig.
Vogels floten luid en tegelijkertijd was het merkwaardig stil. Het donkere water fluisterde zonder geluid. Het fluisterde dat het het vuur in mijn borst kon temmen. Alles zou goedkomen. Alles was rustig. Alles was zoals het hoorde te zijn. Ik hoefde geen antwoord meer te vinden op mijn gedachten.
Ik hoorde een lied, al beeldde ik het me misschien in. Het was alsof het bos me toezong. Een piano vormde de nauwelijks zichtbare deining van het water. Violen streelden als de wind. Ze treurden, maar spraken van betere tijden. Ze huilden vol hoop.

Ren maar, ren maar door de nacht,
Tot de wolken verdwijnen,
Tot de wanhoop dooft,
En alle sterren schijnen.

Ren maar, ren maar door de nacht,
Tot je bent waar je zijn wil,
Tot alles even klopt,
En alle sterren schitteren.

Ren maar, zwem maar door de nacht,
Spring maar, vlieg maar door de nacht,
Tot je het begrijpt,
En je verder dan de sterren kijkt.


Ik knielde bij de rand van het meer en liet mijn hand door het gras glijden. De sprietjes kietelden mijn vingers. Mijn hand gleed door en raakte het kalme water. Voorzichtig kwam ik weer overeind. Ik schopte mijn schoenen uit en liep het water in. Langzaam. Kalm. Bijna eerbiedig.
Het koude water omhelsde me van mijn tenen tot mijn kruin. Het ontnam me een paar seconden de adem zonder ooit te dreigen om me te verstikken. Voorzichtig kwam ik weer boven en wierp een blik op de lucht. Alle sterren schenen. Alle steren straalden. Dit was het leven. Ik sloot mijn ogen en kon plotseling weer zien.
De wind fluisterde in mijn natte haar dat het goedkwam. De sterren gaven me meer licht dan de zon ooit kon. Steeds dieper liep ik in het meer, tot ik bijna niet meer kon staan. De serene stilte strekte zich om me heen uit. Iedere rimpeling die ik veroorzaakte trok zich weer recht. Alles was puur.
Ik richtte mijn ogen nog een keer naar de hemel. De geluiden van de nacht lieten me beseffen dat ik leefde. Ik hield mijn adem in en ging kopje onder. Dieper dit keer. Met gesloten ogen dook ik naar de bodem zonder die ooit te raken.
Ik dook en ik vloog. Ik vloog, zoals het lied me had beloofd. Met gesloten ogen schoot ik over de wereld en alles wat ik zag was mooi. Plotseling kon ik weer zien waar ik altijd van droomde. Bossen, heuvels, meren. Dorpen, steden, kastelen. Mensen die lachten, huilden, schreeuwden. Verhalen, muziek en wonderen. Terwijl ik alles zag, besefte ik dat er niets aan de wereld was veranderd. Alleen ik was veranderd, maar ik was nog steeds hetzelfde.
Ik was nog steeds het meisje dat verder had gedroomd dan de grenzen van de wereld. En dit was het. Ik kon nog voorbij grenzen dromen. Ik keek nog altijd verder dan de sterren.
De wereld schoot aan me voorbij en alle sterren schenen. Geen zorgen. Dit is het leven en het leven is mooi. Ik zag wat ik wilde en ik wilde wat ik zag. Alle sterren schenen en ik leefde. Ik leefde weer.

Ik stopte met vliegen en kwam boven water. Met spijt om wat ik net had gezien achter te laten, maar tegelijkertijd gelukkiger dan ik in lange tijd geweest was. De wereld waarvan ik droomde bestond nog.
Ik had gebrand. Ik was gevallen. Nu vloog ik terwijl ik zwom. En ik besefte het. Alles was nog steeds hetzelfde. Alles was nog steeds mooi. Alles kon nog steeds in mijn dromen. En uiteindelijk kon ik altijd doorgaan tot alle sterren weer schenen.
Met gesloten ogen schoot de wereld aan me voorbij. En alle sterren straalden.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen