Foto bij H.99.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Een beetje twijfelend kijkt Evan me aan.
‘En nu? Wat ga... zijn... ben je veilig? Komt er verder niemand meer achter je aan?’ vraagt hij, totaal vergetend dat die “je” in deze situatie gelijk staat aan “ons”, maar het verbaast me niet dat weigert te erkennen dat ik niet het allerbelangrijkste op aarde ben, zoals altijd.
‘Nee’, antwoord ik dan,’ Nee. Want mijn moeder is daar nog ergens.’

Ik zie het voor me, ik zie een twaalf jaar oude ik ineengezakt tegen de muur zitten, huilend en met half opgetrokken knieën.
Het is donker, bijna nacht en het motregent.
Ik droom, maar het voelt te echt, het voelt als een kwelling terwijl ik van achter een glaswand naar de herinnering moet kijken.
Zo dichtbij, maar zonder dat ik iets kan doen.
Mijn jongere ik heeft haar linkerarm in haar vrije hand, probeert de pijn te verbijten tijdens het desinfecteren van een grote snee.
Als ik omlaag kijk, zie ik het roze litteken op mijn huid.
Een bittere smaak verspreid zich door mijn mond.
Een misschien net vier jaar oude Ammay komt hobbelig naar het meisje dat ik al lang niet meer ben toelopen.
Waterig zie ik mezelf opkijken, veeg met de niet gewonde hand de tranen weg.
Zodra mijn zusje dichterbij komt, begin ik woedend te schreeuwen dat ze weg moet gaan, dat ze bij me uit de buurt moet blijven, dat het haar schuld is.
Ga naar je kamer, dat schreeuw ik, waarna het overgaat in hysterisch huilen en ik snikkend blijf herhalen dat ik niet wil dat ze bij me in de buurt blijft.
Ik ren naar de glazen wand toe, het enige wat me weghoud van Ammay.
Ik sla tegen het doorzichtige materiaal aan, maar ze lijken met niet te horen.
Manisch roep ik tegen het bange kind dat ik ooit was dat ze niet zo tegen haar moet doen, dat ze haar weg moet halen bij mama voordat het te laat is, maar ik blijf onopgemerkt, alsof ik er niet ben.
En ik schrik wakker, zwaar ademend, in één keer overeind in het bed.
Naast mij komt Evan ook iets overeind en zodra hij zachtjes mijn naam zegt, begin ik te huilen, begin te zeggen dat het me zo ontzettend veel spijt, terwijl mijn hand aan het litteken op mijn onderarm uit de droom klauwt.
Ik vertel hem met horten en stoten hoe ik tegen Ammay zei dat ze weg moest gaan, dat ik schreeuwde dat ze uit mijn buurt moest blijven, hoe ik vijf jaar geleden echt niet wist dat ik haar kwijt zou raken.
Evan trekt me naar zich toe en zegt sussend dat het niet erg is.
‘Je was nog maar een kind.’ praat hij mijn fouten goed.
Over één ding heeft hij gelijk.
“Kind” is verleden tijd.
Ik ben zeventien, maar ben al heel lang geen kind geweest.
Mijn armen sla ik om zijn nek heen en mijn gezicht, waar eindeloze tranen overheen druppelen, verberg ik in zijn hals terwijl hij zijn armen om mij heen geslagen houdt.
Hoe lang het duurt voordat ik gekalmeerd ben, weet ik niet, maar minder dan een kwartier kan het niet zijn.
Als ik ophoud met huilen, buigt Evan wat naar achter en legt een abnormaal warme hand op mijn wang.
Meteen zie ik dat er iets onrustigs in zijn bruine ogen kolkt.
‘Gaat het?’ vraag ik automatisch en mijn stem trilt, bang dat ik het antwoord al weet.
Hij knikt zachtjes.
‘Ja, hoor.’ denkt hij dat ik geloof.
Ik leg voorzichtig de rug van mijn hand tegen zijn wang en daarna voorhoofd.
‘Je... je voelt heel warm aan’, rapporteer ik, waarna ik met iets happerige stem doorga,’ Koorts. Ik denk dat je koorts hebt.’
Hij schudt zijn hoofd.
‘Komt wel goed. Ik voel me prima.’ zweert hij en ik schud mijn hoofd.
‘Nee, Evan. Je wordt ziek. Ga slapen, oké?’ draag ik hem streng op en hij zucht.
‘Ik voel me-‘
‘Evan.’
Dan knikt hij voorzichtig en laat zich weer achterover in het bed vallen.
Na hem nog een tijdje bestudeerd te hebben, laat ik me op mijn rug naast hem zakken.
Hij valt al snel in slaap, maar ik blijf naar het plafond staren, in het donker, mijn spieren aangespannen, gehele lichaam bevroren.
Ik blijk gelijk te hebben over de koorts, want hij is gloeiend heet, maar rilt alsof hij elk moment kan bevriezen.
Hij ijlt, heeft koortsdromen over dingen die er niet zijn.
In zijn slaap zegt hij van alles en nog wat.
Rode letters. Graffiti. Donker. Schaduw. Rode letters. Piepende banden. Ze schreeuwt. Hulp nodig. Nee. Grind. Zwarte verf. Een man. Zaklamp. Fel. Nee. Nee, te fel. Rode letters. Niet doen.
Ik blijf onbeweeglijk in het bed liggen, staar met grote ogen van angst om zijn verhaal naar het door het duister verzwolgen plafond, overgenomen door de paniek van zijn doodenge stokkende adem.
Hij is even stil en gaat verder, over openslaande deuren. Straatlantaarns. Motregen. Rode letters. Wacht. Nee. Bliksem. Ver weg. Voetstappen. Een klik. Gevaar. Stuur hulp. Water met modder. Pistoolschot. Nee. Laat me niet alleen. Niet doen. Rode letters.
Dan vliegt hij met een verwrongen geluid half overeind in het bed en ik doe gelijk hetzelfde, totaal gespannen.
Het is te donker om het te goed kunnen zien, maar ik weet dat hij huilt.
‘Mama.’ snikt hij.
En dat is het moment waarop mijn hart breekt.
Ik zou een steek van jaloezie kunnen voelen, maar dat is niet zo.
Ik zou jaloers kunnen zijn dat hij een moeder had, een moeder die zich niet voor kon stellen dat er ooit iemand meer van een kind zou kunnen houden dan zij.
Maar dat ben ik niet.
Ik voel alleen maar pijn, omdat hij dat ook voelt.
Ik vroeg me altijd af wat erger was: nooit een moeder hebben gehad of er een kwijt raken.
Als ik hem zo zie, weet ik het antwoord wel.
Bevend leg ik een onvaste hand in zijn hals en een ander op zijn schouder, waardoor hij me aankijkt.
Zelfs in het donker zie ik dat zijn gezicht vlekkerig en rood is, dat het zwakke licht de tranen op zijn wangen haast op laten lichten.
‘Evan...’ zeg ik ademloos, weet niet precies wat ik hem moet zeggen.
Hij heeft nog steeds koorts.
Wanneer ik hem genoeg vertrouw om alleen te laten, zeg ik dat ik wat water voor hem ga halen.
Ik kom terug met een glas vol lauw water en een pilletje tegen de koorts.
Zodra ik het kleine, ronde ding aan hem geef, kijkt hij glazig naar me op.
‘Wat is dat?’
‘Het werkt tegen de koorts.’ vertel ik hem.
Hij schudt zijn hoofd.
‘Ik ben niet ziek.’
‘Evan. Geloof me, oké. Je hebt best wel erge koorts.’
Hij lijkt me niet gehoord te hebben, want even onbegrijpelijk gaat hij dan door.
‘Ik kan niet ziek zijn.’
‘Ik sta geen tien voor biologie, Evan, maar ik ben er vrij zeker van dat jij er heus wel fysiek toe in staat bent om ziek te worden.’
Hij blijft zijn hoofd schudden.
‘Maar... nee... als er iets gebeurt... dan kan ik niet...’
‘Er gebeurt niets.’ zeg ik snel, alsof ik het onderwerp af wil ronden, zonder dat ik er lang over na hoef te denken.
‘Maar wat als er wel iets gebeurd?’ vraagt hij schor.
Ik forceer een glimlach.
‘Er gebeurt niets.’ lieg ik.
Ik weet het echt niet.

Reacties (2)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    2 jaar geleden
  • Luckey

    laat even niks gebeuren
    genoeg ellende

    3 jaar geleden
    • AmeranthaGaia

      Nog niet. Niet terwijl hij ziek is. Zo erg ben ik niet... of wel?xD

      3 jaar geleden
    • Luckey

      als je wel zo erg bent ga ik je zo hard slaan dat je zelf een lange tijd in bed moet !

      3 jaar geleden
    • AmeranthaGaia

      Kom maar op. Ik daag je uit. Vechten kan ik niet, maar ik zal zulke belachelijke pogingen doen, dat je jezelf doodlacht.

      3 jaar geleden
    • Luckey

      Succes!! Als je ze met rust houden

      3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen