36.

(2024)

De volgende ochtend legde Audrey op het bureau een verklaring af over het voorval in de bibliotheek en vervolgens werd er op haar aanwijzingen een compositietekening gemaakt door ene Rowan, die ook als fotograaf fungeerde. Veel kon ze hem niet vertellen. De bibliothecaresse had het signalement al gegeven, maar het uiteindelijke beeld was nietszeggend. De meest opvallende kenmerken waren een honkbalpetje, een bril en een dikke snor.
      Na afloop werd ze bijgepraat over de drie moorden. De theorieën waren nog oppervlakkig de meest aannemelijke dat ze vijfentwintig jaar geleden getuige was geweest van een moord. Hoe raar het ook leek, het was de enige uitleg die voor alle misdrijven passend was.
      Fronsend keek ze naar een foto van Lars Carmichael. Zijn gezicht kwam haar vaag bekend voor. Ze herinnerde zich wat Cher had gezegd nadat het nieuws over zijn dood haar had bereikt. ‘Ik weet wie hij is. De televisiemonteur. Hij werkte vroeger in de elektronicazaak in Beach Haven.’
      De winkel had onder meer mobiele telefoons verkocht en gerepareerd. Audrey vroeg zich af hoeveel mensen hun toestel nooit terug hadden gekregen.
      Die middag pikte Styles haar op en nam haar mee naar de kermis.
      “De jaarlijkse zomerkermis is aan de gang. Ik weet niet of het je veel zal zeggen, maar misschien frist het je geheugen op.”
      Omdat de scholen uit waren, wemelde het op het terrein van de kinderen en tieners en stonden er voor de meeste attracties lange rijen.
      Ze bleven staan bij een van de kraampjes. Audrey staarde naar de clownsmaskers en een golf van weerzin sloeg over haar heen. Ze waren vrolijk beschilderd, maar de starre uitdrukkingen deden haar te veel denken aan de dodenmaskers die ze voor haar boek had bestudeerd.
      Styles legde zijn hand op haar onderrug en duwde haar verder. “Herken je misschien iets?”
      Ze verstijfde lichtelijk bij zijn aanraking, realiseerde zich dat hij haar onder druk bleef zetten, zowel professioneel als emotioneel. Met grote wilskracht dwong ze zichzelf te ontspannen. Een deel van haar had zijn aanwezigheid geaccepteerd en ze was vrouw genoeg om de onderhuidse spanning te voelen wanneer hij bij haar was, maar het idee verraden te zijn toen hij haar voor het verhoor had opgehaald, maakte haar nog steeds argwanend.
      Ze verlegde haar aandacht van de clowns naar de uitgestalde zoete knuffelbeesten en onderdrukte een huivering. De roman die ze had geschreven, ging over een verknipte psychopaat. Toen ze eraan was begonnen, was ze van plan geweest er een snelle thriller van te maken, maar in plaats daarvan was er iets heel anders uit haar pen gekomen.
      Tijdens het schrijven was het verhaal eruit gestroomd, koud, duister en onthutsend, en ze had zich afgevraagd of ze droomde of wakker was. Soms waren er ongemerkte uren verstreken terwijl ze had zitten tikken en wanneer ze dan opkeek van haar computer was het donker. Niet voor het eerst schoot het door haar heen dat het mechanisme van schrijven op de een of andere manier haar geest opende, waardoor het verleden erdoorheen kon sijpelen.
      De laatste tijd ervoer ze het fenomeen steeds vaker en de sensatie was niet prettig: een verontrustend gevoel van déjà vu, gevolgd door frustratie en net niet grijpbare herinneringen. Op een dag was ze er zeker van geweest dat ze op het punt stond het beeld van haar moeder door te krijgen. Er was niets concreets geweest, geen fysieke details of een naam, meer een emotioneel trekken en daarna was de fragiele flard weer opgelost.
      Styles bekeek Audrey’s gezicht terwijl ze zich door de menigte baanden. Hij had haar bewust naar de clownsmaskers gebracht, omdat hij een reactie wilde uitlokken, maar nu had hij er spijt van. Als de veronderstelling dat ze een ooggetuige was geweest klopte, was het waarschijnlijk dat ze op zevenjarige leeftijd een moord had zien plegen.
      Opeens wilde hij niet meer dat ze zich iets herinnerde. In zijn werk had hij constant met dood en geweld te maken, maar hij had nog nooit zo’n gruwelijke moord meegemaakt als die op Mischa Waltman. Geen enkel kind zou getuige mogen zijn van zo’n soort misdrijf.
      De menigte werd groter naarmate ze verder liepen. Hij maakte gebruik van de gelegenheid door zijn hand om haar middel te leggen en haar tegen zich aan te trekken. Het was een slim macho trucje, maar dat kon hem niet schelen; hij wilde haar dicht bij zich hebben. Hij verlangde naar haar en het onderzoek had hem in een onhoudbare positie gebracht.
      Een poosje later, toen ze weer op weg waren naar de auto, ving hij een glimp op van een man die zich moeizaam een weg baande tussen de stalletjes door en hij kneep zijn ogen tot spleetjes. De manier van bewegen van de man had iets bekends, evenals de stand van zijn hoofd.
      Hij ving nog een glimp op terwijl ze de straat opliepen. Nadat hij de auto van het slot had gedaan, gaf hij de sleutel aan Audrey. “Ik ben zo terug.”
      De man volgend beende hij een zijstraat in en kwam uit in een andere straat, met aan weerszijden oude opslagloodsen die tegen elkaar aan geklemd stonden. In plaats van naar een geparkeerd voertuig te lopen, ging de man verder, zijn passen meer ontspannen en Styles aarzelde. Hij raakte almaar verder van Audrey verwijderd, kwam op een van de oudere bedrijventerreinen terecht.
      Om twee uur op een zaterdagmiddag was het hier net zo druk als in de grote winkelstraat in het centrum, met klusjesmannen en stellen die hun inkopen deden. Hij ving een beweging in een zijsteeg op. Wie de man ook was, plotseling was hij er zeker van dat hij doorhad dat hij werd gevolgd.
      In de schaduwen blijvend sloop Styles tussen de twee opslagloodsen door en hij dempte zijn voetstappen tot de steeg uitkwam op een bakstenen muur, de achterkant van de vroegere suikerfabriek.
      Op de weg terug bekeek hij de gebouwen aan weerszijden. De ene loods had een zware schuifdeur, de andere een laadplek omsloten door een hoog ijzeren hek. Alles zat stevig op slot. Als iemand had geprobeerd de schuifdeur te openen of het hak over had proberen te klimmen, zou dat kabaal hebben veroorzaakt en Styles had niets gehoord.
      Zonder veel hoop inspecteerde hij de omgeving nog een. Ofwel de man was hem in de krioelende menigte ontsnapt of hij was in rook opgegaan.

De volgende ochtend regelde Styles een agent als lijfwacht voor Audrey en vertrok naar Quantico voor een bespreking met de afdeling gewelddadige misdrijven. Gewoonlijk werkte VICAP bij seriemoorden nauw samen met de lokale politie, maar tot op heden hadden ze in Lassiter nog maar één authentiek slachtoffer. Gegeven het verleden van de dader kwam de Waltman-zaak echter toch in aanmerking.
      Styles meldde zich bij de verantwoordelijke agent.
      Aisha Hayworth was ergens in de veertig, mollig, opgewekt en angstwekkend efficiënt. Voordat ze bij de FBI in dienst was getreden, had ze zich in Baltimore met de triage bij grote ongelukken en rampen beziggehouden. De overstap naar Quantico was in wezen slechts een verandering van gevechtsterrein geweest. In haar computer zocht Aisha het dossier op.
      “Hé, er zit niks in.” Ze fronste haar wenkbrauwen. “Wat raar. Volgens het nummersysteem zou het er wel moeten zijn. De manier waarop we informatie vastleggen, is een paar keer gewijzigd, maar in principe kunnen bestanden niet worden verwijderd.”
      “En de papieren versie?”
      Aisha reikte naar een sleutelbos. “De kans dat die het heeft overleefd is klein, maar de microfilm moet er nog zijn, tenzij er brand of waterschade is geweest.”
      Een half uur later gaf Aisha het zoeken op en leidde hem terug naar haar kantoor. “Ongelooflijk. De film stond wel op de lijst.” Ze schudde haar hoofd. “Ik heb wel eens meegemaakt dat een dossier kwijtraakte, maar dit is absurd.”
      Styles liep naar het raam, te rusteloos om te gaan zitten. “We moeten navraag doen bij alle politiedistricten om te kijken of die nog bewijsmateriaal hebben, maar dat gaat een hoop tijd kosten.” En zijn instinct riep dat er geen tijd meer was. Wie de moorden ook pleegde, hij deed het nu. Ze hadden een DNA-monster en een psychologisch profiel. Wat hij nodig had was een vingerafdruk.
      Aisha boog zich dichter naar haar beeldscherm, scrolde omlaag en glimlachte toen. “Ik weet wel iemand die ons zou kunnen helpen.” Ze wees naar de naam van een van de rechercheurs die bij het korps van Atlante had gezeten. “Barry Parker. Eindelijk zit het ons mee.”

Barry Parker was voor in de vijftig en had zijn rechercheurs carrière aan de wilgen gehangen. Tegenwoordig gaf hij in Quantico les aan rekruten.
      Styles schudde hem de hand en stapte zijn kantoor binnen. De oudere man was netjes gekleed, had dunner wordend grijs haar en de bruine ogen achter zijn varifocale glazen stonden schrander.
      Nadat hij een doos op tafel had gezet, zei hij: “Het bewijs bleef maar verdwijnen. Soms tijdens het vervoer, dan weer in een brand.” Hij haalde zijn schouders op. “Tegen die tijd waren de moorden gestopt en de zaak gesloten, dus niemand maakte zich er verder druk om. Officieel is het verboden, maar de papieren waar ik aan werkte, had ik mee naar huis genomen. Om er zeker van te zijn dat als de moordenaar weer opdook, er in elk geval nog iets over was.”
      Zijn blik was melancholiek en wat wazig terwijl hij naar de doos staarde. “Vijfentwintig jaar geleden.” Hij schudde zijn hoofd. “Ik zou die jaren wel terug willen kopen. Ik had die zaak zo graag opgelost.” Hij opende de deur van zijn kamer om Styles naar buiten te laten. Terwijl Styles de doos oppakte, vroeg hij hem of hij bleef logeren.
      “Nee, ik vlieg over een uur weer terug.”
      Hoe eerder hij thuis was, hoe beter.

Reacties (1)

  • Sunnyrainbow

    Ik heb dit verhaal net gevonden en in een ruk uitgelezen, wat schrijf jij goed!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen