Foto bij H29

“Vader, waarom ben je hier zo rustig en zeker van? Nog geen week geleden zei je dat je haar zo snel mogelijk hier wilde hebben.” “Ik weet het, maar ik heb het gevoel dat ik haar nog vaak ga tegenkomen in het ziekenhuis…”

Alaïs Spiorad pov.

“Je past beter bij lief zijn” Zou hij gelijk hebben? Pas ik beter bij lief zijn? Of zou hij mij maar aan het versieren zijn geweest…? Nee, hij weet dat die bedreiger dat nooit goed zou vinden. Hij is niet iemand die zomaar zijn leven zou riskeren.

Ik stap dan uit mijn kamer en stap voorzichtig de trap af, er nu op lettend dat ik niet te veel op mijn slechte been steun. Als ik beneden ben, staat mijn moeder me al op te wachten met haar armen over elkaar. “Ik wil eerst en vooral weten waarom je asociaal bent op school. Ik heb je opgevoed en in die jaren was je juist heel sociaal. Waarom nu niet meer, wat is daar de reden voor?”, vraagt ze dan en ik slik. Hier had ik Fausto niks over verteld, dus moest ik het wel uitleggen. “Mam.. omdat we zoveel verhuizen, krijg ik nooit de kans om nieuwe vrienden te maken. Ik heb het eens één keer geprobeerd om vrienden te maken en dat lukte ook. Ik was toen 11, maar toen we weer moesten verhuizen en ik mijn locatie van jouw niet mocht verraden, was ik er kapot van om ze achter te laten. En die pijn was ondraaglijk. Daarom maak ik geen vrienden meer, omdat ik de scheur niet groter wil maken.”, leg ik haar dan uit en ze knikt dat ze het begrijpt. Ze bukt zich dan en pakt een emmer met water en een spons. “Hier”, zegt ze en overhandigt mij de spullen. “Zorg dat je auto er weer proper uit ziet, morgen ga je weer naar school, of je nu wilt of niet. Vier dagen is lang genoeg geweest.” Ik knik dan, ik kan het wel begrijpen. Ze stapt dan voorbij mij om de trap op te lopen als plots de huistelefoon afgaat. “Alaïs, wil jij even opnemen?” “Het is voor jou mam, het is Fausto”, zeg ik en ze fleurt helemaal op. Ze pakt meteen de telefoon op. Ik glimlach wanneer ze een verrukt kreetje slaakt als Fausto’s stem door de telefoon gaat. Ik zal voor de auto zorgen, terwijl Fausto de rest doet.

Ik stap dan naar buiten met de spullen en als ik bij de auto ben, drop ik ze op de grond. Ik doe dan de koffer open, maar ik slaag hem meteen weer toe als de stank mijn neus binnen dringt. Verschillende vliegen zwermen over de kofferbak, klaar om eieren te leggen in het bloed als ik de koffer weer open doe. Ik zucht dan. De stank was erger geworden. Ik stap dan naar mijn portier en doe die open en pak mijn Athame en cape. Ik stap terug naar binnen om mijn Athame in een pot water met zout te doen en mijn cape in de wasmachine te doen. Ik stap dan weer naar mijn auto en pak dan een busje deo uit het handschoenkastje en spuit ermee over de wagen. Dat moet nu me wel genoeg tijd geven om de auto te kuisen. De vliegen gaan weg en ik berg de deo weer op. Ik rol mijn mouwen op en adem diep in, als ik de koffer open doe. Ik pak de spons en laat het bloed erdoor opzuigen. Ik knijp de spons dan uit in de emmer en blijf dit proces herhalen tot het meeste bloed uit de kofferbak is.

Als ik klaar ben, gooi ik automatisch de spons in de emmer en kijk dan naar de koffer. “Done.” Maar ik laat meteen een zucht over mijn lippen rollen als ik zie dat de wanden van de koffer rood zien. ‘Hoe moet ik dat in godsnaam weg krijgen…’, fluister ik stil in mezelf. Ik wil dan mijn spons pakken, maar als ik in de emmer kijk, zie ik dat de spons is verdwenen. Of toch niet. Ik zie nog het hoekje van de spons in de dikke, rode vloeistof uitsteken en dan verdwijnen. Dit kan je toch niet menen. Ik blijf een tijdje naar de smurrie kijken en bedenk dan iets. Ik pak de emmer en met uitgestrekte armen ga ik naar de keuken en giet het goedje in de afvoer. Ik draai de kraan dan open, om er voor te zorgen dat het bloed verdwijnt uit de pompbak. Ik knijp de spons ook uit en vul de emmer terug met proper water. Ik stap dan weer naar buiten en als ik bij de auto ben, zie ik dat de vliegen zich weer verzameld hebben, maar gelukkig zijn het er een pak minder. Als ik mijn spons op pak, hoor ik een auto de oprit oprijden. Een zwarte auto met een open laadbak stopt zo’n vier meter van me af en ik leg de spons dan in de koffer en stap naar de auto. Het portier gaat open en Jacob stapt uit. “Goede middag, Alaïs”, zegt hij en ik begroet hem terug: “Je bent zo te zien je auto aan het kuisen?” vraagt hij en trekt zijn neus op als de stankwalm naar Jacob en mij komt. “Jacob, is het waar dat je een weerwolf bent?” vraag ik dan en er blijft een ongemakkelijke stilte hangen.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen