Foto bij Scar 32

Het laatset stuk van het vorige hoofdstuk:
Ze knikt en ik stap uit, loop naar de deur. Heel lang sta ik maar gewoon en ik zucht.
Het moet. zeg ik tegen mezelf. Het moet. Ik heb het beloofd. Ik zou voor hem zorgen.
Ik klop op de deur, aangezien de deurbel er niet bepaald uitziet alsof hij nog werkt. Geen geld voor een nieuwe, vermoed ik. Het duurt even voordat die opengedaan wordt. Mijn blik valt automatisch op het pistool in zijn hand, maar ik kijk al snel naar de jongen voor me.
'Nathan,' Het klinkt als een scheldwoord. Ik weet waarom. En ik neem het hem niet kwalijk. Ik had dit al veel eerder moeten doen. En misschien ben ik wel te laat.

'Mag ik binnenkomen?' vraag ik, omdat ik eigenlijk zo snel mogelijk ervoor wil zorgen dat er tenminste één deur tussen Paige en zijn pistool zit.
Ziek, eigenlijk, dat ik me zorgen maak dat hij zal schieten. Hij is negentien. Hij is niet heel erg veel veranderd sinds de laatste keer dat ik hem zag, nu al een paar maanden geleden. Zijn vette, donkere haar is nog steeds zo lang dat het maar wat naar beneden hangt en hij het af en toe uit zijn ogen moet vegen. Zijn donkerbruine ogen zijn nog steeds even kil. Hij heeft nog steeds grote, zwarte tunnel oorbellen in zijn oren. De tatoeage in zijn hals die doorloopt tot zijn oor zorgt er nog steeds voor dat zijn huid nog bleker lijkt dan dat die in het echt is. Hij draagt donkerblauwe, om zijn heupen hangende jeans met gaten en versleten plekken en een zwart T-shirt met een groot, wit doodshoofd erop. Hij is mager en heeft eczeem in zijn nek. En ik kan hem niet anders zien dan een kind dat ik maandenlang genegeerd heb.
'Nee,' gromt hij met opeengeklemde kaken.
'Alsjeblieft...' begin ik, maar mijn stem sterft weg.
Hij is stil en draait het pistool dan rond zijn vinger, om nadruk te leggen op het feit dat hij gewapend is.
'Prima,' snuift hij. 'Vijf minuutjes.'
Ik bedank hem zachtjes en loop naar binnen. Hij sluit de deur achter me.
'Zevenennegentig dagen,' hoor ik hem dan zeggen en ik draai me met een vragende frons op mijn voorhoofd naar hem om.
'Wat?' vraag ik.
'Zevenennegentig dagen. Zo lang is het geleden sinds de laatste keer dat ik je probeerde te bellen.'
Ik kijk weg.
'Het spijt me.'
'Wat voor excuus heb je bedacht?'
Ik zwijg.
'Ik... ik kon gewoon niet... Ik ben een politieagent. Ik kan niet zomaar de wet negeren en zorgen voor een... voor iemand die...' Ik kom niet meer uit mijn woorden.
'Drugsverslaafde,' vult hij me aan. 'Dat is het woord dat je zoekt. Drugsverslaafde.'
Nerveus bijt ik op mijn lip.
'Zo bedoel ik het niet. Ik kan mijn baan kwijtraken. Ik kan mijn baan kwijtraken, Benjamin.'
Hij schudt woedend zijn hoofd, slaat met zijn vuist tegen de muur in.
'Dat is niet mijn naam! Dat is níét mijn naam!' schreeuwt hij zo hard dat ik vermoed dat Paige het kan horen.
'Wel waar. Benjamin, wel waar. Ik ga je niet Matchpoint noemen. Het is belachelijk! Wat betékent dat überhaupt?! Je kan het misschien zelf verandert hebben, maar wettelijk gezien is Benjamin Darling nog steeds je naam.'
Ziedend kijk hij me aan, tranen parelen in zijn ogen. Hij kijkt naar me alsof zijn blik een zin is die nooit zal eindigen.
'Donder op met je wetten, Nathan! Donder op met je verdomme badge en politiewagen geweten! Die wetten hebben er niets aan gedaan! Die wetten hebben er niets aan gedaan dat ze alzheimer kreeg en verdomme verkracht werd op haar veertigste en dat ik daaruit voortgekomen ben! Die wetten hebben er niets aan gedaan dat je mijn moeder beloofd hebt om voor me te zorgen en daarna weggegaan bent!' huilt hij. 'Maar als je me zo graag wilt arresteren, doe dat dan! Ga je gang, verdomme!'
Ondanks de scheldwoorden en de woedende toon in zijn stem, klinkt hij haast kinderlijk. Hij klinkt klein en kinderlijk en bang. Aangezien we familie zijn, komt het niet als een verassing dat we op elkaar lijken. Hij is al negentien, maar is nog altijd een en al bijeengesprokkelde ledematen, te lang en te onhandig voor zijn eigen lichaam. Hij ziet er minderjarig uit, als een slungelige puber. Het pistool in zijn handen verbergt dat niet. Het doet me denken aan hoe ik vroeger was, als tiener. En ineens moet ik denken aan mijn vader. Plotseling voel ik de behoefte om terug naar het huis van mijn ouders te gaan, om naar mijn vader te gaan en als een kind bij hem uit te huilen en toe te geven hoeveel ik hem mis en dat ik geen idee heb wat ik in hemelsnaam aan het doen ben met mijn leven. Maar dat kan niet. Ik ben mans genoeg om voor mezelf te zorgen. Ik ben de grote broer van het zusje dat ik dood heb laten gaan en ik kan niet doen alsof ik daaraan kan ontsnappen.
Ik schud mijn hoofd.
'Ik ben hier niet om je te arresten, Ben,' verzucht ik. 'Ik ben hier om te zeggen dat je moeder je wil zien.'
Hij veegt de tranen van zijn gezicht.
'Ze herinnert me zich vast niet eens meer.'
'Jawel. Ze weet nog wel wie je bent. Laatst vroeg ze me naar je. Ze wil haar zoon zien.'
Hij kijkt weg.
'Ze doet het maar met de anderen die op visite komen. Ik wil niet dat ze me ziet.' Niet zo.
'Ik ben de enige,' informeer ik hem. 'De enige.'
En dat is waar. Ik ben de enige die Johanna nog bezoekjes brengt. En ze wilt zo graag dat er ook anderen langskomen.
'Ik zal erover nadenken,' zegt hij, maar ik weet dat het gewoon een middel is om me hier weg te krijgen. 'Ga nu weg.'
'Benjamin, ik weet niet of het wel goed is als ik je nu...'
'Ga weg!' schreeuwt hij en het is zo moeilijk om niet in duizend stukken te breken als hij zo huilt.
Maar ik doe wat hij zegt. Ik ga weg. Ik kom een andere keer nog wel terug. Ik ga er vanaf nu zijn. Vanaf nu wel.
Ik stap weer in de auto en doe mijn riem vast. Vermoeid zucht ik.
Als ik naar Paige kijk, zie ik dat ze me afwachtend aankijkt.
'Rijd maar naar mijn appartement,' breng ik uit en ze knikt, zet de auto in beweging.
Ze zegt niets, de hele tijd niet. Ze vraagt niets, ze vertelt niets.
'Ben je boos?' vraag ik dan en ze kijkt me heel kort verbaasd aan.
'Nee, hoezo?' weet ze uit te brengen. Ik had beter mijn mond kunnen houden, want ze wordt er zenuwachtig van. Haar ademhaling hapert. Ze begint iets harder te rijden.
Ik schraap even ongemakkelijk mijn keel.
'Gewoon omdat je niets zei,' verklaar ik.
Ze lijkt iets te ontspannen.
'Ik wil gewoon geen vragen stellen waarop je de waarheid niet wilt antwoorden.'
Ineens herinner ik me weer dat ze geen littekens heeft. Hoe vaak heeft zij wel niet genadeloos eerlijk moeten zijn omdat iemand haar iets vroeg waar ze niet met halve waarheden weg zou kunnen komen?
'Je mag best iets vragen. Het zou oneerlijk zijn om je te vragen me hier naartoe te brengen en vervolgens vaag gaan lopen doen,' vertrouw ik haar toe.
Ze knikt even.
'Wie was dat?'
Even ben ik stil. En opeens voelt het nutteloos om te antwoorden. Want wie is hij nou? Is hij mijn neefje? Hij wil mijn neefje niet zijn, in ieder geval. Is hij een drugsverslaafde? Hij is ook veel meer dan dat. Is hij Benjamin Darling? Ik weet niet eens meer of ik die jongen wel in hem herken. Hij heeft altijd al problemen gehad, maar ik heb geen idee wie de jongeman was die ik net voor me zag. Hij was niet hoe ik me hem herinnerde. Niet hoe ik me hem inbeeldde. Niet hoe ik verwachtte dat hij eraantoe zou zijn.
'Iemand die beter verdient,' antwoord ik uiteindelijk.

Reacties (1)

  • BethGoes

    Ik vind die Benjamin maar een raar geval... heel... raar

    6 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen