Foto bij Schaduw

Het zou een gewone treinreis moeten zijn. Een ritje naar haar vriend met haar zoon op de schoot. Ze zou uit het raam staren en steeds minder zien, aangezien de zon achter de horizon zou verdwijnen. Ze staarde ook uit het raam. Ze zag de weilanden, de bomen, hier en daar zag ze eens een persoon die de avond ontving door in de tuin te wandelen. Toen zag ze hoe een oude man werd opgegeten door een monster. Het was niets meer dan een schaduw die voor hem stond. Even zag ze de verschrikking in de ogen van de man en toen de tanden van het beest.
      De trein raasde voorbij. Ze wreef verward door haar ogen. Ze keek naar de jongen die tegenover haar zat. Er stond een diepe frons op zijn gezicht die zei: ‘Heb jij dat ook gezien?’ Ze spraken geen woord tegen elkaar en gingen er beiden vanuit dat het niets was.
      Toen de conducteur aan het eind van de gang verscheen, stond de jongen op en liep hij vermoedelijk naar het toilet.
      ‘Een zwartrijder of een illegaal, waarschijnlijk beiden,’ zei de man die schuin tegenover haar zat. Hij was de typische blanke man met een hele lading vooroordelen.
      ‘Of hij moest dringend naar het toilet.’
      ‘Toevallig,’ zei hij, terwijl hij met zijn ogen rolde. ‘Is dat je broertje?’
      ‘Mijn zoon.’
      ‘Ben je daar niet een beetje jong voor?’
      ‘Niet gepland.’ Ze probeerde hem te negeren en haar blik terug op de weilanden te fixeren, maar het beeld van het monster bleef door haar hoofd spoken. Een dreigende schaduw met het vervormde gestalte van een persoon. En tanden – rijen tanden.
      ‘Dan had je anticonceptie moeten gebruiken.’
      ‘Dank je voor de tip,’ antwoordde ze.
      ‘Waar ga je zo laat nog naartoe?’ Hij zou zich met zijn eigen zaken moeten bemoeien.
      ‘Mijn vriend.’
      ‘De vader?’
      Ze beet op haar lippen. ‘Nee.’
      ‘Waar is de vader?’
      ‘Achter de tralies. Ik hoop dat hij daar wegrot.’
      Zijn blik werd iets zachter, terwijl een zachte ‘oh’ over zijn lippen rolde. ‘Excuses.’
      ‘Je bent niet de enige.’ Ze keek een keer uit het raam. Er liep een rilling over haar rug. Het moest haar verbeelding zijn, maar die jongen had het ook gezien. Of had ze het zich ingebeeld? Ze was immers heel moe de laatste tijd. Misschien moest ze gewoon een keertje goed slapen.
      ‘Het is rustig, hè?’
      Ze keek rond in de wagon. Ze waren de enige die in deze wagon zaten. Voordat ze de stelling van de man kon beamen, hoorde ze iemand rennen. Het was de jongen, die snel de wagon binnenwandelde. Hij schoot naar hen toe en drukte zijn wijsvinger tegen zijn lippen. Daarna gebaarde hij dat ze zich moesten bukken. Ietwat ongemakkelijk volgden ze zijn voorbeeld op. De man gaf eerst commentaar, maar toen de jongen zijn hand op zijn mond drukte, gehoorzaamde hij.
      Even wachtten ze in spanning af. Het bleef muisstil. En toen kwamen de voetstappen.
      Een schaduw wandelde voorbij.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen