Foto bij Hoofdstuk 13

Devan maakte haar halverwege de nacht wakker en het voelde alsof ze al veel verder op zee waren gekomen dan toen ze in slaap viel. Het was een vreemd gevoel om naar buiten te lopen, naar de frisse nachtwind. Alsof ze werkelijk nog sliep. Haar handen waren weer handen en ze zuchtte. Ze wilde nog even dat gevoel niet verliezen.
      Devan had het roer vastgezet en het enige wat ze hoefde te doen was een oogje houden op de koers en de zeilen. Het was een rustige nacht. De wind was nauwelijks toegenomen en ze vaarden voort met dezelfde snelheid als eerst: gestaag genoeg, maar niet gehaast.
      De golven waren kalm, en met een half oog op het zeil ging ze op de reling zitten. De zee leek bijna duister in de nacht, en ze herinnerde zich toen ze nog onder water kon zien, toen het donker niets uit leek te maken. Het leven als mens leek vaak incompleet voor haar, en het werd steeds moeilijker om voor te stellen dat sommige selkies vrijwillig als mens leefden, of als mens én als zeehond. Ze voelde zich meer zeehond dan wat dan ook, gedwongen te leven in het lichaam van een mens. Haar thuis was in de zee.
      Haar ogen begonnen steeds meer aan het donker te wennen, en nu zag ze vormen rond het schip zwemmen. Eerst dacht ze dat het meer zeehonden waren, maar ze hadden niet helemaal dezelfde vorm. Het waren meer grote lange vissen, hoewel ze nog nooit deze soort vissen had gezien, niet als visser en nooit als zeehond. Ze waren groter dan haar, en heel even werd ze bang. En toen begonnen ze te zingen.
      Eerst verstond ze de woorden niet. Het leek een taal ouder dan zijzelf, ouder dan de bomen, ouder dan de zee, als een lied dat het begin van alles aankondigde. Een lied vol hoopvolle verwachtingen. Ze staarde naar het water en registreerde maar vaag de voetstappen achter haar. Devan en Faraj waren ook wakker.
      Ondanks dat haar reisgenoten achter haar stonden, leek het alsof het lied alleen voor haar bedoeld was. Langzaam veranderde de taal in het Iers dat ze begreep, en ze zongen over de zee, en de koelte van het water, en ze begrepen haar.
      Ze wist al dat ze zeemeerminnen waren voordat hun hoofden opdoken. Beeldschone vrouwen met sluiers van zeewier voor hun ogen, als een bruid van de zee. In haar achterhoofd weerklonk een nu bijna onhoorbare waarschuwing.
Nog nooit had de zee zo uitnodigend geleken. Wat zou het goed zijn om gewoon te verdwijnen in de diepte, zodat ze eindelijk alles los kon laten en haarzelf kon zijn. Waarom zou ze nog wachten? Waar had ze haar huid nog voor nodig als de zee en haar hart en haar instincten hier waren?
Ze zette een voet op de reling, en voelde het hout onder haar vingers. Ze hield nog vast, maar het lied verzocht haar los te laten. Spring, zongen ze. Spring, Selkie.
      “Selkie?”
      De heldere stem van één zeemeermin verbrak de betovering.
      “Wacht,” zei ze. “Laat haar niet verdrinken.”
      Rowan knipperde met haar ogen. Verdrinken? Natuurlijk. Dat was wat er zou gebeuren als ze in de diepte zou duiken zonder haar huid, dat was wat er zou gebeuren met mensen.
      Mensen. Ze keek om haar heen en zag dat Devan en Faraj nog steeds op het dek stonden. Ze slaakte een zucht van opluchting toen ze allebei van hun trance wakker werden.
      “Zeemeerminnen,” zei Devan, en ze stapte naar voren, om gelijk weer weg te stappen. “Ze probeerden ons te laten verdrinken,” zei ze, kijkend naar Faraj, die haar een knikje gaf. “Waarom zijn ze gestopt?”
      Een meermin zwom naar voren en richtte zich op. Eerst zag ze niets speciaals aan haar, maar toen merkte ze op dat er geen zeewier voor haar ogen hing, maar dat het naar achteren was geveegd.
      “Selkie. Jij bent één van ons. Maar we lazen de pijn in je hart.”
      Rowans hart klopte wild in haar keel, maar toch haalde ze diep adem en ze zei:
      “Mijn huid is me afgenomen.”
      Ze siste. “Wie? Vertel ons wie en we zullen hem vinden, zuster.”
      “Zijn naam is Cowell, een piratenkapitein. Hij heeft mijn huid begraven en we zijn het aan het vinden.”
      “Mensen zijn verraderlijk,” siste een meermin achter haar.
      “Ze nemen alles van je af.”
      De voorste meermin wendde haar ogen af en speelde met haar sluier.
      Pas toen richtten ze hun ogen op haar reisgenoten. “Mensen.”
      “Mijn reisgenoten.”
      Een koor van vragen klonk op, met als meest terugkomende woord waarom.
      “Mijn vader heeft ooit meermensen ontmoet,” zei Devan. “Waarom hebben jullie hem gespaard?”
      “We sparen alleen onze broeders en zusters, zoals haar.” Ze wees naar Rowan. “En misschien hun bondgenoten.” De meermin keek haar schattend aan. “Ja, misschien jullie.”
      “Ga, zuster,” zei de voorste meermin uiteindelijk. “Jullie zijn vrij onze wateren binnen te gaan.”

Reacties (5)

  • Necessity

    Go meerminnen ^^ al gaat dit sowieso vragen opleveren

    2 jaar geleden
  • Croweater

    Ik had niet verwacht dat haar geheim zo snel bekend zou worden. Ik ben benieuwd hoe ze gaan reageren. (:

    2 jaar geleden
  • Croweater

    Eerst verstond ze de woorden niet. Het leek een taal ouder dan zijzelf, ouder dan de bomen, ouder dan de zee, als een lied dat het begin van alles aankondigde. Een lied vol hoopvolle verwachtingen.


    Wat een onwijs mooie zin. Je schrijfstijl is trouwens sowieso heerlijk. Ik heb nu een paar verhalen van je gelezen en ik vind het knap dat je stijl samenhangt met het type verhaal en niet altijd hetzelfde is. ^^

    2 jaar geleden
  • Sunnyrainbow

    Zeemeerminnen heel gaaf! Hebben ze nu haar geheim verklapt?

    2 jaar geleden
    • SonOfGondor

      Jup... We zien de reacties in het volgende hoofdstuk

      2 jaar geleden
  • Azriel

    Mermaids, how cool ^^

    2 jaar geleden
    • SonOfGondor

      Thanks! Ik vind zeemeerminnen ook heel cool, en daarom waren ze onmisbaar in dit verhaal!

      2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen