Foto bij H.104.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Hij sleurt me mee en vindt volledig op gevoel de weg naar een paar ruwhouten kisten, bijna onder de trap. Ik tast met mijn hand het materiaal af om te kijken op welke punten ik uit het zicht ben.
Ik luister, maar het is op onze ademhaling na volledig stil. Dan gaat de voordeur open.

Ze is binnen. Ze is hier. Ze is binnen. We hadden niet naar de kelder moeten gaan. Wat dacht ik wel niet?
In de kelder verstopte ik Ammay vanaf een jaar geleden altijd. Mijn moeder zocht er nooit. Waarschijnlijk niet omdat ze niet wist dat Ammay daar zat, maar omdat ze de laatste tijd míj juist zocht en haar met rust liet. Nu zoekt ze wel naar mij. Natuurlijk gaat ze ons vinden.
Ze gaat ons vinden. En dan?
Mijn ademhaling versnelt, wat zonder twijfel duidelijk te horen is. Ik voel hoe Evan naast me automatisch iets dichter naar me toe schuift op het moment dat we voetstappen horen. Ik leun tegen hem aan en hij slaat zijn armen om me heen. Mijn ribben doen zeer, maar ik duw hem niet van me weg.
Dan begint Dexter te blaffen.
Nee. Nee, nee, nee, nee. Hij moet ophouden. Anders vindt mijn moeder hem.
Maar hij stopt niet en er wordt een kastdeur opengetrokken. Er klinkt een pistoolschot. En Dexter blaft niet meer.
Evan slaat zijn armen nog steviger om me heen, al denk ik dat hij degene is die dat het meeste nodig heeft.
‘Het spijt me,’ breng ik dan met verstikte stem uit. Hij antwoordt niet. Hij is in paniek. Ik ook.
Wanneer ik mijn moeder mijn naam hoor roepen, slaat mijn hart een slag over. Alsjeblieft niet. Alsjeblieft niet.
Ik hoor het geluid van brekend glas. Meteen maak ik me van hem los. Ik probeer blind mijn weg te zoeken naar een gereedschapskist of iets anders wat me kan helpen.
Er moeten hier spijkers te vinden zijn, of een schroevendraaier of een stanleymes. Iets. Wat dan ook.
Voordat ik iets kan vinden, trekt hij me aan mijn arm ruw terug naar onze verstopplaats.
‘Hier blijven. Hier zijn we uit het zicht,’ sist hij. Zijn stem klinkt zo vreemd dat ik zachtjes “ja” antwoord.
‘Ze gaat ons vinden,’ zeg ik dan schor.
Een paar seconden is hij doodstil.
‘Waarschijnlijk wel,’ fluistert hij, gevolgd door: ‘Maak je geen zorgen. Ik bescherm je wel.’
Ik zeg het niet hardop, want dan zou hij me zal tegenhouden, maar ik weet nu al dat ik hem dat niet zal laten doen. Ze is gewapend.
En ik weet niet wat me bezielt, maar ik kus hem. Ik kus hem omdat ik weet dat het misschien wel de laatste keer zal zijn en blijkbaar denkt hij hetzelfde, want hij houdt me even stevig vast als ik hem.
Wanneer we elkaar weer even loslaten, proberen we allebei onze ademhaling weer onder controle te krijgen en nog altijd laat hij me niet los, voel ik zijn ademhaling in korte stoten tegen mijn wang.
Hij staat op vanaf onze gehurkte positie en zegt dat hij even gaat kijken of hij iets ziet. Wanneer ik in paniek piep dat hij dat niet moet doen, antwoordt hij dat hij in de kelder zal blijven.
Net wanneer hij daar staat, onderaan de trap, gaat de kelderdeur open.
In het zwakke, nieuwe licht zie ik dat hij wegduikt achter een stapel kisten aan de andere kant van de ruimte.
Ik druk mezelf tegen het hout wanneer ik haar voetstappen op de krakende trap hoor.
‘Gioa?’ vraagt ze in een stem die klinkt als nagels op een krijtbord. ‘Je moet hier ergens zijn. Je bent er altijd.’
Ik weet niet precies wat ze met dat laatste bedoelt, maar ik betwijfel of het echt logisch is. Ze is gestoord. Ze is volledig gestoord.
‘Kom toch tevoorschijn. Doe mee.’ Ze lacht kort. ‘Wij zijn de twee koninginnen in dit schaakspel. Dat wisten we allebei al toen we elkaar door dat raam aankeken.’
Wat? Is Evan dan de koning?
Ik kan alleen maar bevroren blijven zitten. Ze is zo ontzettend verknipt. Ergens heb ik dat altijd wel geweten, maar het enige wat haar menselijk maakte is nu verbroken, wanneer ze zo naar beneden loopt.
De lichten gaan opeens weer aan, alsof er een tijdslot op zat, wat misschien ook wel zo is. Ik onderdruk de neiging om een arm voor mijn ogen te slaan tegen het felle licht, maar uit angst dat ze me dan ziet, blijf ik doodstil zitten, laag, gehurkt.
Wanneer mijn ogen gewend zijn aan het donker, zie ik dat er bloed aan haar handen zit, aan haar kleren kleeft. Maar ze is niet gewond. Wiens bloed is het dan?
‘Gioa,’ gromt ze. ‘Denk je nou echt dat ik Evan niet al lang weg heb zien duiken toen ik de deur opendeed? Ik wil hem geen pijn moeten doen. Kom gewoon.’
Evan, die toch al weet dat zijn positie is verraden, komt overeind.
‘Gioa. Alsjeblieft. Niet doen. Je weet dat ze me sowieso wel iets aandoet,’ probeert hij me over te halen, maar precies vanwege dat laatste, weet ik dat ik niet gewoon daar kan blijven zitten, niet gewoon doelloos kan kijken naar wat mijn moeder misschien wel gaat doen. Ze hoeft hem maar met één vinger aan te raken en ik zal breken.
Dus, nog voordat zoiets kan gebeuren, sta ik op en loop naar Evan toe. Ik ga voor hem staan.
Hij zucht verslagen, maar pakt dan mijn onderarm vast, probeert me zachtjes achter zich te trekken. Ik geef niet mee. Dit is niet zijn strijd. Dit is niet zijn schuld. Het is nu mijn beurt om hem te beschermen.
‘Hoe is het precies gegaan?’ vraag ik dan. Ik weet niet waarom ik het doe. Ik probeer geen tijd te rekken, ik zoek niet naar een uitweg; ik wist dat dit ging gebeuren. Ik moet het gewoon weten, zelfs als het ervoor zorgt dat er tranen van mijn gezicht druppelen en mijn stem trilt. ‘Toen je Ammay vermoordde. Hoe is het gegaan? Zag je dat ze dat laatste restje vertrouwen verloor? Kon je het zien? In haar ogen? Ze had altijd nog hoop... hoop dat je op zou houden. Wist je dat? Daarom maakte ze op Moederdag nog tekeningen voor haar. Ze... ze geloofde er elk jaar nog echt dat je hem niet voor haar ogen kapot zou scheuren. Ze wilde gewoon een moeder. Wist je dat?’
Ze antwoordt niet. Ze zegt alleen: ‘Gioa, kom mee.’
Dat lijkt Evan absoluut niet aan te staan, nog minder dan mij, want hij trekt me zo hard tegen zich aan dat ik uit balans raakt en naar hem toe struikel. Ik voel zijn omhooggeschoten hartslag en ademhaling tegen mijn rug.
‘Gioa.’ Ze klinkt haast kalm, maar haar blik is ijzig. ‘Ik kan je ook hier door je hoofd schieten, maar ik denk dat het het makkelijkst is als we even ergens anders heen gaan. Hij kan dan hier blijven.’
Gelijk zie ik het voor me. Spetters van mijn bloed op Evans gezicht, mijn levenloze lichaam op de grond.
Het is een executie. Dat beeld voor altijd in zijn hoofd wil ik hem besparen.
‘Oké,’ antwoord ik.
Iets binnenin Evan lijkt te breken. De hele tijd is hij nagenoeg kalm gebleven - zelfverzekerd en gecontroleerd en sterk bij elkaar. Zo was hij altijd als ik het over mijn moeder had, of Ammay, of wat dan ook. Hij was een rots. En nu brokkelt die af.
‘Nee!’ Zijn stem klinkt koortsachtig, rauw. ‘Nee. Alsjeblieft niet. Alsjeblieft. Ik... alsjeblieft niet...’
Ik weet niet precies tegen wie hij het heeft, maar mijn moeders gezicht vertrekt wel bij die woorden. Dan zegt ze haast sussend en vol medeleven: ‘Evan, lieverd. Het spijt me zo dat ze je al zo gemanipuleerd heeft. Ik doe dit voor jou. Je ziet het nu niet, maar ik probeer je alleen maar te redden van haar.’
Nog voordat ik daarover na heb kunnen denken, hoor ik opeens een stem vanuit de woonkamer.
‘Gioa?!’ Het is James. James is hier.
Verwilderd kijkt mijn moeder me aan.
‘Hoe heb je hem gewaarschuwd?!’ stoot ze uit.
Niet. Dat heb ik niet. En Evan kan dat ook niet gedaan hebben.
En dan gaat alles opeens heel snel. Ik hoor de voetstappen van James op het gebroken glas terwijl hij nog een keer mijn naam schreeuwt. Mijn moeder draait zich half om naar de trap en terwijl ze dat doet, schiet ze, per ongeluk, zonder te richten.
En nog voordat ik de pijn voel, ben ik al gevallen.

Reacties (3)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    2 jaar geleden
  • Luckey

    Omg! Nee!!!
    Klote moeder!

    3 jaar geleden
  • BethGoes

    O nee! O neeneeneeneeneenee! O NEE!!!!!!!!!!!!!!!!! NNNNNNEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE!!!!

    3 jaar geleden
    • AmeranthaGaia

      Oké, oké. Stel je nu dit voor: Evan blijft alleen achter. Zijn ouders zijn overleden en sindsdien is Gioa de enige die hij ooit binnengelaten heeft. En dan gaat zij dood. En dan heeft hij niemand meer.

      Vraag je nu af of ik echt zo wreed ben om dat te doen.

      3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen