Er wordt gezegd dat de enige die na het vallen van de avond thuishoorde in Doodorp de mensen zijn die niets goeds in de zin hebben. Ik heb niets kwaads in de zin, nog niet althans. Maar ja, ik heb dan ook niets goeds in de zin.


Ik sta stil bij een paal achter een kroeg die De droge Mond heet en bind de riem van Mu aan een ring in de muur. Mu kijkt me aan en likt mijn hand als een teken van afscheid. Hij weet natuurlijk niet dat ik over een paar uur alweer terugkom. Ik trek de brede rand van mijn hoed wat verder naar beneden. Die hoed had ik gestolen van de leider van de karavaan waar ik tijdelijk mee meereis, samen met de rest van mijn kleren. Nou ja, eigenlijk meer geleend. Alles wat ik bezit, was volgens de wet sowieso niet van mij, alleen Mu wel. Ik had hem vijf jaar geleden gevonden en besloten dat ik vanaf die dag zijn wettelijke voogd zou zijn. Ik was elf jaar oud.
De deuren van de kroeg zwaaien open en er lekt licht, lawaai en een dikke dronkaard naar buiten. Voor ik het besef, schiet mijn hand naar mijn sjiema om te controleren of die nog vast zit. Ik ben tot aan mijn ogen omwikkeld en zelf nu, uren na de zonsondergang, zweet ik onder al die lagen als een zondaar bij het gebed. Ik vermoed dat ik eerder en verdwaalde nomade lijk dan een echte scherpschutter, maar zolang ik er niet als een meisje uit zie, doet dat er niet veel toe. Vanavond zal ik hier in elk geval levend wegkomen. Des te beter als ik dan ook wat munten op zak heb.
Het was niet moeilijk om de schietkuil aan de andere kant van Doodorp te vinden. Die bevind zich in het luidruchtigste gebouw van het plaatsje en dat wilde wat zeggen. Een grote onttakelde schuur aan het einde van de stoffige straat, waar fel licht brandt en het krioelt van de mensen, en die aanleunt tegen een half ingestort gebedshuis met een dichtgetimmerde deur. Het zou best kunnen dat die schuur ooit van een eerlijke paardenhandelaar zou zijn geweest, maar dat was dan erg lang geleden.
Hoe dichter ik bij de schuur kom, hoe meer mensen ik zie. Als gieren die op een vers karkas afkomen. Zo gaat het altijd. De mensen hier in de omgeving, vooral de mannen, drinken hun zorgen weg en zoeken dan weer, tegen de plezieren van hun vrouwen, een andere bar. Een man met een bloederige neus wordt door twee anderen tegen een muur gedrukt, terwijl de derde in zijn gezicht beukt. Ik wil wel helpen, maar ik weet dat ik hen niet aankan. Niet op zo’n korte afstand. Aan de andere kant van de straat roept een meisje uit een raam iets waarvan een gietijzer misschien nog van zou kunnen blozen. Een groep fabrieksarbeiders met hun werkkleding nog aan roepen gehaast iets terug. Zo is het hier altijd al geweest. Ik ben hier in de buurt opgegroeid, in een plaatsje genaamd Stofoord. Van mijn vijfde, nadat mijn moeder overleed, tot mijn elfde ben ik alleen geweest, daarna vond ik Mu en niet lang daar na vond ik mijn tante en oom, waar bij ik daarna ook gedoemd was te wonen. Veel van mijn tijd bracht ik in Stofoord door, maar nog meer tijd besteedde ik aan het rondsluipen in Doodorp. Ik leerde al snel dat niemand in Doodorp zichzelf als een brave burger beschouwd. Om te overleven in deze streek moet je vals spelen, en gelukkig voor mij, leerde ik dat al heel snel. Ik ken de omgeving net zo goed als mijn eigen broekzak.
Ik probeer mijn ogen naar voren te houden, alsof ik dit allemaal al eerder heb gezien. Als ik voorbij de gebouwen klim, zou ik in de verte, over het zand en de struiken, de karavaan zien liggen, mijn tijdelijke thuis. Ik reis nu al een lange tijd met de karavaan mee, dit is de eerste keer in zes maanden dat ik weer terug in Doodorp ben. Ik zal mijn tijd dan ook niet verspillen. Als het mogelijk zou zijn om van verveling te sterven, zou het zand in Stofoord bezaaid zijn met lijken. Doodorp is echter springlevend.
Niemand besteed veel aandacht aan mij als ik de schuur binnen glip. Er heeft zich al een grote menigte verzameld in de schietkuil. Aan de balken hangen rijen enorme olielampen, de gezichten van de kijkers verlichten. Schriele jochies zetten de flessen neer en ontwijken de klappen van een grote man die schreeuwt dat ze moeten opschieten. Wezen zo te zien. Net als ik. Waarschijnlijk kinderen wiens vaders in de enorme wapenfabriek aan de rand van Doodorp hadden gewerkt tot ze aan flarden waren geblazen door kapotte machines. Of tot de dag dat ze dronken naar hun werk waren gegaan en brandwonden hadden opgelopen die fataal bleken te zijn. Buskruit was nou niet zo bepaald veilig spul om mee te werken.
Ik heb het zo druk met staren dat ik bijna tegen een reus van een kerel bots. ‘Vooraan of achteraan?’ wil hij weten. Zijn handen rusten onverschillig op een kromzwaard op zijn linker- en een pistool op zijn rechter heup.
‘Wat?’ ik denk er nog net op tijd aan om met een lagere stem te praten. Ik had de hele week geoefend met het nadoen van mijn neef en vriend Hadi, maar het klinkt nog steeds meer als een jongen dan een man. De ingehuurde spierbundel bij de deur lijkt het niet erg te vinden. ‘Het kost drie foeza om achteraan te staan en vijf om vooraan te staan. Het wedden begint om tien uur.’
‘Wat kost het om in het midden te staan?’ Hè verdomme. Dat had ik niet willen zeggen. Ik kan ook nooit m’n mond houden.
De man fronst en kijkt me aan alsof ik gek ben. ‘Voor of achter, er is geen midden, knul.’
‘Ik ben hier niet om te kijken,’ zeg ik voordat de moed me echt in de schoenen kan zinken. ‘Ik ben hier om te schieten.’
‘Wat sta je hier mijn tijd dan te verdoen. Dan moet je bij Hasan zijn.’ Hij duwt me naar een zwaargebouwde man met een wijde broek en een donker baardje dat tegen zijn kin geplakt lijkt. Hij staat achter een lange tafel die bedekt is met stapels van munten, die trillen door zijn tikkende vingers op het droge hout.
Ik haal diep adem door mijn sjiema en probeer niet te latenmerken dat mijn maag het liefst via mijn mond de schuur uit zou willen lopen. ‘Wat kost het om mee te doen?’
‘Vijftig foeza.’ Door het litteken op Hasans lip lijkt hij te grijnzen. Vijftig! Dat is bijna alles wat ik heb. Alles wat ik had gespaard om mijn vader te zoeken en voor Mu te kunnen zorgen.
Hasan had mijn aarzeling hebben gezien, ook al was mijn gezicht vanaf mijn neus bedekt. Zijn aandacht ging naar iets anders, alsof hij dacht dat ik weg zou lopen.
Dat was de druppel. Rinkelend laat ik de foeza die ik de afgelopen drie jaar stukje bij beetje bij elkaar had geschraapt op tafel vallen. Hadi zegt altijd dat ik het blijkbaar niet erg vind om mezelf dom voor te doen als ik daarmee bewijs dat iemand ander het mis had. Blijkbaar heeft Hadi gelijk.
Hasan werpt een blik op de munten, maar kan nadat hij ze telt met de snelheid van een professionele geldwolf, niet ontkennen dat het bedrag klopt. Heel even gaat mijn hartslag omhoog.
Hij schuift een stukje hout naar me toe dat als een hanger aan de lus van een touw bungelt. Daar is met zwarte verf het cijfer 27 of geschilderd. ‘Heb je wel genoeg geoefend, zevenentwintig?’ vraagt Hasan, terwijl ik het touw oven mijn hoofd trek. Het bordje stoot zachtjes tegen de lappen stof die ik om mijn borsten heb gebonden om ze plat te drukken.
‘Een beetje.’ Hij moest eens weten. We hadden in Stofoord aan bijna alles gebrek, in heel de omgeving eigenlijk. Eten. Water. Kleren. Er waren maar twee dingen die we in overvloed hadden; Zand, en wapens. Hasan snuift. ‘Dan zou je toch wel moeten weten dat je geen trillende handen mag hebben.’
Ik druk mijn handen tegen mijn lichaam en loop de kuil in. Als ik mijn pistool niet stilhoud, zal het er niet toe doen dat ik leerde schieten voordat ik leerde lezen. Ik ga naast een man staan die zo te zien voornamelijk botten onder zijn groezelige werkplunje heeft zitten. Aan mijn andere kant verschijnt een men met het nummer 28 om zijn dikke nek.
Overal om ons heen lopen de tribunes vol. De gokbazen schreeuwen dat er gewed kan worden. Als ik een gokje zou wagen, zou ik wedden dat ik geen enkele kans maak. Niemand met een gezond verstand zou geld leggen op een of ander mager jochie dat niet eens het lef heeft zijn sjiema af te doen en zijn gezicht laten zien. Misschien zou ik een gestoorde dronkaard een fortuin kunnen leveren door te bewijzen dat de verstandige lui het mis hebben.
‘Goeden avond, heren!’ Hasan maant de menigte met zijn luide stem tot stilte. Tientallen kinderen rennen om ons heen om de pistolen uit te delen. Een meisje met klitterig haar en op blote voeten geeft me het mijne. Dat voelt meteen goed in mijn hand. Snel klik ik het magazijn open en check hoeveel kogels erin zitten; zes. ‘Iedereen kent de regels. Dus daar kun je je maar beter aan houden, want God bewaar me… anders sla ik die bedrieglijke smoelen van jullie eigenhandig tot moes!’ Er klinkt gelach op de tribune en ik zie flessen met alcohol van hand tot hand gaan. ‘Oké, je hebt zes kogels, zes flessen. Als je na afloop nog flessen hebt staan, lig je eruit. De eerste tien mogen naar voren komen.’
We blijven roerloos staan, terwijl de nummers een tot en met tien met hun tenen op een witte lijn gaan staan. De afstand tussen de mannen en de flessen schat ik op ongeveer drieënhalve meter.
Toch krijgen een aantal mannen het voor elkaar om de eerste paar keer mis te schieten. Uiteindelijk raakt de helft van de schieters alle flessen. Een van hen is twee keer zo groot als welke andere deelnemer dan ook. Zijn nummer een staat in dikke lijnen op zijn houten plaatje geverfd. Hij wordt het hardst toegejuicht. ‘Dahmad! Dahmad! Kampioen!’ wordt er geroepen als hij zich omdraait en een van de kinderen vastpakt die heen en weer lopen om het gebroken glas op te halen. Dahmad zegt iets zachts wat ik niet kan verstaan en duwt de jongen dan weg. Even later komt hij terug met een fles bruine drank. Dahmad zet de fles aan zij lippen en leunt tegen het houten shot dat de muur van de schietkuil moet voorstellen. Hij zal niet lang kampioen blijven als hij zou door zal gaan.
De volgende ronde ging nog slechter. Maar een persoon raakte alle flessen. Als de verliezers wegsjokken zie ik zijn gezicht pas goed voor de eerste keer. Hij komt niet uit de buurt, dat is zeker. Het verbaast me; iedereen hier komt uit de buurt. Tenzij je niet goed bij je hoofd bent, ga je nooit uit vrije wil naar dit deel van het land.
Hij is jong, misschien ietsje ouder dan ik, en net zo gekleed als wij; hij heeft een groene sjiema nonchalant om zijn nek en zijn woestijnkleren zijn zo wijd dat het moeilijk te zien is of hij echt zo breed is als hij lijkt. Ik kan echter vanuit mijn positie precies het witte t-shirt zien dat hij overduidelijk probeert te bedekken met zijn sjiema. Hij is blijkbaar niet zo goed in zich vermommen als ik. Zijn haar is donkerbruin, net iets lichter dan elke Egyptische jongen hier in de buurt, zelf zijn huis is donker genoeg om door te kunnen gaan voor een van ons. Maar dat is hij niet. Hij heeft vreemde geprononceerde gelaatstrekken die ik nog nooit eerder heb gezien; hoge hoekige jukbeenderen, een vierkante kaar en wenkbrauwen als duistere schuine strepen boven de geheimzinnigste ogen die ik ooit heb gezien. Hij zag er bovendien helemaal niet verkeerd uit. Enkele mannen die hij had verslagen spugen op de grond naast zijn voeten. Een mondhoek van de vreemdeling gaat een heel klein beetje omhoog, alsof hij zijn lach probeert in te houden. Hij werpt plotseling zijn blik op mij, alsof hij weet dat ik naar hem kijk. Snel draai ik me om. ‘Opzij zevenentwintig!’ Er wordt een elleboog in mijn zij geduwd. Een vinnige opmerking ligt al op het puntje van m’n tong als ik zie dat het Fazim Al’Motem is.
Ik onderdruk de neiging om te vloeken. Fazim heeft me elk scheldwoord geleerd wat ik ken, in de tijd dat ik zes was en hij acht. Toen we een keer betrapt werden, werd mijn mond schoon geschrobd met zand en gaf hij mij de schuld van alles. Stofoord is een gat. Ik ken Fazim al mijn hele leven, en ik haat hem sinds ik een beetje verstand had gekregen. Tegenwoordig was hij vaak in het huis van Hadi, waar ik ook veel tijd heb doorgebracht, en probeert hij zijn handen onder de kleren van Hida’s zus Shira te stoppen. Af en toe als Shira niet kijkt probeert hij dit ook bij mij. Dit was wel voordat ik genoeg kreeg van Stofoord en besloot om een tijd met een karavaan mee te reizen.
Wat doet hij hier, verdomme? Nou ja, gezien dat pistool dat hij in zijn hand heeft kan ik dat wel raden. Klootzak.
Het was een ding om als meisje herkent te worden, maar het is heel iets anders als Fazim me zou herkennen. Ik was al meer dan genoeg in de problemen geraakt, maar ik ben maar een keer bijna doodgeslagen. Dat was toen ik geprobeerd had paarden van mijn oom te lenen. Ik was halvenwege naar Juniper-Stad toen ze me te pakken kregen en ik heb een maand geen paard kunnen rijden toen tante Farrah en haar zweep klaar met me waren. Als zij erachter komt dat ik gok met gestolen geld, zal ze me zo hard afranselen dat de vorige keer in het niet valt.
Het zou verstandig zijn om er vandoor te gaan. Alleen zou ik van wel vijftig foeza armer zijn. En geld was schaarser dan hersenen.
‘Oke! Daar gaan we weer. De volgende tien kandidaten, hier komen!’ Schreeuwt Hasan. Ik schrik ervan, de tijd gaat veel te snel voorbij. Ik ben al aan de beurt.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen