Lichte trigger warning voor aanranding/aanraken zonder toestemming in dit hoofdstuk. (Liever een keer te vaak vermeld dan te weinig (: )

De eerste week gleed haast ongemerkt voorbij. Er was een routine ontstaan tussen Sirius en Remus, en Sirius haatte het. Het voelde zo normaal, zo vertrouwd. Er was geen spanning of sensatie te vinden. Die eerste opwinding die hij ervaren had toen hij voor het eerst de gouden ogen gezien had, diezelfde opwinding die ook bij de Volle Maan tevoorschijn was gekomen, leek niet meer te bestaan. Het was haast alsof Sirius het zich alleen had ingebeeld.
      Hij wilde zich niet zo voelen. Zo levenloos. De tijd verstreek wel, maar hij merkte het haast niet. Hij wilde gewoon dat gevoel vanbinnen terug. Hij wilde het idee hebben dat hij echt leefde.
      De kooi stond nonstop open en langzaam maar zeker was Remus steeds meer zijn kooi gaan verlaten. Sirius had hem al meerdere keren aangetroffen terwijl hij naar dichte deuren staarden. Verder dan de keuken en gang kwam hij echter nooit. Daarom had Sirius ook niet verwacht om Remus om drie uur 's nachts in de badkamer aan te treffen toen hij zelf even naar het toilet wilde gaan. De jonge wolf stond met ontblote borst voor de grote spiegel en volgde met zijn vinger de lijnen op zijn huid. Een paar van de striemen waren rood en ontstoken, anderen waren slechts een wit litteken. Een herinnering aan alle wonden die de wolf zichzelf had aangedaan.
      Sirius' ene mondhoek trok licht omhoog. Remus keek naar zijn hand, naar de striemen en weer naar zijn hand. Toen plaatste hij de hand zo dat elke vingertop een wond raakten. De afstand paste precies.
      De wolf moest zo in zichzelf zijn gekeerd dat hij niet eens door had gehad dat Sirius naar hem stond te kijken. Anders was hij nooit hier blijven staan. Hij had zich zo kwetsbaar opgesteld. De haat was zichtbaar in de gouden ogen.
      Onverwacht haalde Remus uit met zijn hand. In de spiegel verscheen een grote barst. Een paar kleinere scherven vielen op de grond. Hij leunde met zijn armen tegen de gebroken spiegel. Zijn hoofd steunde op zijn armen. Als hij aan het huilen zou zijn, zou het Sirius niet verbaasd hebben.

      De zwartharige jongen staarde hem aan. Zijn ogen waren rood en wat opgezwollen van het huilen. Met een woest gebaar veegde hij de tranen van zijn wangen. Het werkte niet.
      Langzaam draaide hij zich om. De jongen voor hem deed hetzelfde. Toen hij over zijn schouder keek, kon hij de wonden op zijn rug zien zitten. Met een natte doek probeerde hij over zijn schouder heen een van de wonden schoon te maken. Een vlammende pijn trok zich door zijn rug heen en het liefste had hij het uitgeschreeuwd van de pijn. Dat mocht niet. Schreeuwen zou zwakte zijn. In plaats daarvan beet hij hard op zijn vrije hand tot hij het bloed in zijn mond kon proeven.
      Zijn ademhaling ging zwaar. Hij was zo'n mislukking. Hij had dit verdiend. Dat vertelde Moeder hem keer op keer. Het moest wel waar zijn. Een snik welde op in zijn keel, maar hij wilde hem er niet uit laten. Hoeveel meer bevestiging van zijn zwakte wilde hij hebben?
      In een plotselinge opwelling haalde hij uit. De jongen voor hem deed hetzelfde. Het glas versplinterde waar hij de spiegel raakte. De jongen voor hem werd aan het zicht onttrokken.
      Hij viel op zijn knieën. Hij wilde zichzelf niet zien. Hij wilde niet bevestigd hebben wat Moeder altijd zei.
Waardeloos. Een schande voor de familie. Geen zoon van mij.
      Zijn gezicht verborg hij in zijn bebloede handen. Ergens stak nog een scherf in zijn knokkel, maar hij negeerde de stekende pijn. De tranen die hij zo graag had willen inhouden, vloeiden er allemaal uit. Moeder had gelijk. Hij was niet sterk.

      "Genieten we van het uitzicht?" vroeg Sirius. Hij liep langzaam op de wolf af. Remus had zich afgewend van de spiegel. Sirius ging achter hem staan en legde zijn handen op Remus' schouders, dwong hem weer terug te draaien. De wolf zou naar zichzelf kijken, zien hoe onvolmaakt hij was.
      Leren zijn lichaam net zo te haten als Sirius de zijne haatte.
      Met zijn vinger volgde hij de lijn van het litteken dat in Remus hals liep. Het deed hem denken aan de eerste dag toen hij datzelfde had gedaan. Toen had Remus zich losgetrokken, nog tegen hem gevochten. Ditmaal bleef hij bewegingloos staan. Waarom gaf hij het vechten op? Dat was juist het beste stuk. Het enige in zijn leven wat er nog toe deed. Hij wilde niet dat Remus stopte met vechten. Hij was niet gebroken, dat kon Sirius zien aan de blik in zijn ogen. Hij was gewoon simpelweg gestopt. En Sirius zou hem aan het vechten houden. Aan het breken.
      Hij liet overduidelijk zijn blik glijden over het halfnaakte lichaam dat hij in de spiegel zag. "Er is zoveel dat ik zou willen doen," fluisterde hij in Remus' oor. Een grijns kroop op zijn gezicht. Een lichaam, zo fit en geheel van hem. De toverstok die hij in Remus' zij geduwd hield was genoeg om hem stil te laten staan.
      Langzaam volgde hij het litteken met zijn lippen. De wolf verstarde. Sirius' vrije hand rustte inmiddels op Remus' heup en kroop langzaam iets verder naar voren. Een zachte grom welde op in Remus' keel.
      Aangekomen bij het eind van het litteken, zette hij zijn tanden in de huid van de wolf. Hij proefde bloed. "Je bent van mij, kleine wolf," fluisterde hij. Hij had een manier gevonden om de wolf weer wakker te krijgen, om hemzelf wakker te krijgen.
      Hij liet Remus met zijn nieuwe tandafdruk achter in de badkamer.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here