“ Breaking me down to my knees in the dead of night,
I keep on praying to see the light, oh”

Justine Heidi Harbours

Uiteindelijk had mijn vader gelijk, voor een deel. We moeten inderdaad de straat uitlopen, de volgende straat rechts en die ook uitlopen, maar de buurtsuper is nergens te bekennen en nadat ik instructies gevraagd heb aan aardige, oude vrouw, blijkt dus dat we nog een wandeling van ruim tien minuten voor de boeg hebben. Niet dat ik het erg vind om een wandeling door dit rustige dorpje te maken, maar het zou wat comfortabeler zijn als ik een vest of jas had meegenomen.
      Een opgeluchte zucht rolt over mijn lippen als we eindelijk bij een kleine supermarkt aan komen en ik laat Ariels hand los. Als we binnen lopen, rinkelt er een schel belletje en met opgetrokken wenkbrauwen bekijk ik de supermarkt. Er zijn in totaal misschien zes schappen en dat is het. Op z’n minst is alles makkelijk te vinden.
      Ik pak een mandje en kijk vanonder mijn wimpers over mijn schouder. Een inheems Amerikaanse vrouw die achter de kassa staat neemt ons duidelijk in haar op. Ze heeft haar ravenzwarte haar in twee vlechten en een vermoeid, maar desondanks toch vriendelijk gezicht.
      Ik probeer de starende blik te negeren en kijk mijn zusje vragend aan. ‘Wat wil je eten?’ vraag ik duidelijk en sloom, zodat het haast lijkt alsof ik degene ben met een spraakachterstand.
      Ik loop samen met Ariel uit het gezichtsveld van de vrouw achter de kassa, zodat de vrouw Ariel niet kan gebaren. Ik mag mijn vader misschien niet respecteren, zeker niet wat betreft zijn beslissingen over Ariel, maar toch kan ik hem niet ongehoorzamen. Niet als ik mijn zusje wil beschermen.
      ‘Laten we soep maken,’ antwoordt Ariel met een klein glimlachje. Soep is simpel, maar honderd procent zeker haar lievelingsgerecht. Als je het überhaupt een gerecht kan noemen. ‘Het is makkelijk en we kunnen er even mee door.’
      ‘Goed idee,’ antwoord ik grinnikend. ‘Pak maar wat je wil, dan kijk ik ondertussen verder.’
      Ariel knikt aandachtig en loopt dan weg. Zodra ze achter het volgende schap verdwijnt, verandert mijn gezichtsuitdrukking direct. Ik voel hoe mijn wenkbrauwen zich in een keiharde frons werken, eentje waar ik later behoorlijke rimpels van ga krijgen, en een vermoeide zucht ontsnapt aan mijn lippen. Ik weet niet waar ik beter aan doe, gebaren naar Ariel zodat ze zich op haar gemak voelt, of haar alvast laten wennen aan hoe ze het voortaan op school moet gaan handelen? Waarschijnlijk het laatste, want onze vader gaat echt geen uitzonderingen of aanpassingen voor haar maken. Een speciale school kunnen we dus wel van ons lijstje schrappen.
      Ik loop langs het schap met ontbijtproducten en gooi een paar potjes broodbeleg en een paar pakken cereals in het mandje. Ik kan maar beter alvast een goede voorraad aanleggen, want dan krijgen we niet op onze kop als we het een keer per ongeluk vergeten.
      Ik loop langs de verschillende schappen en vind tot mijn grote verbazing, sarcasme, mijn zusje bij de snoepafdeling. Bijtend op mijn lip schud ik mijn hoofd. Het zal me niets verbazen als Ariel een suikerverslaving heeft, maar ondanks dat, heeft ze nog steeds een perfect lichaam. Afgezien van de blauwe plekken, brandwonden en littekens uiteraard.
      Ik loop voorzichtig op haar af en tik haar op haar schouder. Van schrik laat ze bijna alle groenten uit haar handen vallen en ze werpt me een quasi-boze blik, voordat ze de groentes in mijn mand dumpt. Direct lijkt het mandje tien keer zo zwaar. Ik twijfel even om het mandje aan mijn zusje te geven, maar besluit het uiteindelijk niet te doen. Ik moet me een beetje vermannen.
      Snel scan ik het schap. Niemand te bekennen.
      ‘Ik heb nog een paar losse dollars,’ zeg ik met een lichte glimlach. ‘Wat wil je?’
      Aangezien niemand anders ooit mijn zusje verwent, heb ik die rol maar op me genomen. Ook toen moeders nog leefde was ik degene die het altijd gedaan heeft. Ik ben sowieso meer een moederfiguur dan Ariel dan wie dan ook.
      ‘Die,’ zegt Ariel haast foutloos. Met haar vinger wijst ze naar het bovenste rek en een zucht rolt over mijn lippen. Had ze niet iets van een rek lager kunnen kiezen?
      Ik ben van gemiddelde lengte, althans, als ik het gemiddelde mag geloven, maar toch is dat rek net eventjes iets te hoog. Het is ook niet alsof Ariel er wel bij kan, dus rust de taak op mij. Ik rol lichtjes met mijn ogen en wip mezelf op mijn tenen. Ik strek mijn arm uit en heb de chocoladereep bijna te pakken, als ik ineens vanuit mijn ooghoeken zie hoe een roestbruine, grote hand de chocoladereep pakt. Doordat ik zo geconcentreerd bezig was, heb ik niemand gehoord en ik hoef ook niet op Ariel te rekenen om me te waarschuwen want ja… het is niet alsof die wel iemand hoort aankomen.
      Ik zet een stap opzij om wat meer afstand te creëren tussen mij en de onbekende persoon en ik kan mezelf niet helpen om de persoon in me op te nemen. Hij is groot, ontzettend lang en gespierd en ik wil niet weten hoe het zou voelen om een klap te krijgen van één van zijn vuisten.
      ‘Hier,’ zegt de jongen, zijn stem diep en volwassen.
      Betrapt en geschrokken kijk ik op naar zijn gezicht. Zijn donkerbruine haren zitten behoorlijk in de war, alsof de jongen net uit zijn bed is gerold, en zijn gezicht is, hoe graag ik het ook zou willen ontkennen, knap. Zijn wenkbrauwen heeft hij vragend opgetrokken en zijn chocoladebruine ogen kijken me nieuwsgierig aan, terwijl zijn mond in een lichte grijns krult.
      ‘Deze wilde je toch pakken?’ vraagt de jongen. Hij gebaart met zijn ogen naar zijn handen, of meer naar de chocoladereep in zijn handen, iets dat me nu pas opvalt.
      ‘Oh,’ antwoord ik en ik kan mezelf wel vervloeken. Wie reageert er nou met ‘oh’? Geweldige eerste indruk, Justine. ‘Dank je.’
      Ik pak de chocoladereep aan en stop het zorgvuldig in mijn mandje. Vervolgens kijk ik op naar de glimlachende vreemde en valt mijn blik op het groepje dat iets verder achterin het schap staat. De jongen moet ongetwijfeld bij dat groepje horen, want allemaal zijn het stuk voor stuk reuzen met bulkende spieren.
      ‘Ik ben Embry, trouwens,’ stelt de jongen, Embry dus, zichzelf voor. Hij steekt gelukkig geen hand uit, iets waar ik ontzettend blij mee ben, aangezien ik een hekel heb aan contact, maar glimlacht wel. Hij ziet er schattig uit. ‘En ik neem aan dat jullie nieuw zijn.’
      ‘Wat gaf je de hint?’ vraag ik met opgetrokken wenkbrauwen. Mijn stem klinkt speels en geacteerd, zoals het tot een paar dagen geleden iedere dag deed. ‘Het haar, onze pigment, of meer het gebrek eraan?’

Reacties (3)

  • Slughorn

    Oeh geinig (:

    4 maanden geleden
  • LarryNiam

    Oehhh leuk stukje<3

    6 maanden geleden
  • VampireMouse

    Embry heerlijk behulpzaam!
    Verder!

    6 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen