Nog steeds een trigger warning voor aanranding denk ik?

Het was misschien de eerste keer dat Sirius Remus aanraakte, maar het was zeker niet de laatste keer. De tweede keer liet niet lang op zich wachten. Nog geen vierentwintig uur later stond Sirius weer voor zijn neus met een grijns die Remus was gaan kennen. Die hem vertelde dat er iets aan zat te komen.
      Ditmaal was Sirius niet achter hem gaan staan, had hij niet zijn hals zacht gestreken. Hij had een hand op Remus' onderrug gelegd en de wolf naar hem toe getrokken, om zijn lippen op die van Remus te planten. Remus' reactie was geweest dat hij zijn hoofd met een ruk had weggetrokken, daarbij Sirius met een kopstoot een bloedneus gevend. Sirius leek er haast van te genieten.
      Sirius' woorden bleven in zijn hoofd zwerven. Je bent van mij. Ik kan doen wat ik wil. Misschien had hij ook wel gelijk. Misschien was het ook wel zijn lot om voor eeuwig Sirius' gevangene te zijn. Voor eeuwig in dit huis met de pratende mensen op de muur en de voorwerpen die hij nooit zou leren gebruiken. Maar was dit veel erger dan in zijn kooi zitten terwijl mensen naar hem keken? Naar hem wezen of stenen naar hem gooiden? Waar hij moest vechten om elk beetje eten? Was hij ooit iets anders geweest dan een gevangene?
      Het was een grote verrassing toen Sirius hem plots meldde dat ze samen naar buiten zouden gaan. De jas die hij aangereikt kreeg, pakte hij wel aan, maar nog voor hij de voordeur had bereikt, was hij alweer uit. Het zat te strak om zijn armen, om zijn hele lichaam. Het was eerder een kooi dan een hulpmiddel.
      De voordeur ging niet open, hoe hard Remus ook rammelde aan de knop. Was dit nog een truc van Sirius? Hem zeggen dat ze iets gingen doen en dan hem juist dat ontnemen?
      Hoewel er amusement in Sirius' ogen stond, leek het niet met de bruutheid van anders te zijn. Sirius stak zijn hand met open handpalm naar hem uit. "Zullen we dan maar?"
      Remus keek heel even naar de jongeman voor hem. Het was een uitnodiging voor iets, maar Remus wist niet wat. Hij kon nog steeds Sirius' lippen op de zijne voelen. Hij wilde zijn aanraking niet. Maar tegelijk wilde hij niks liever dan zijn hand in die van Sirius leggen en ingaan op het onbekende aanbod. Hij wilde vechten tegen Sirius, maar zich ook volledig aan hem overgeven. Hij wist het allemaal niet meer.
      Uiteindelijk reikte hij toch zijn hand naar Sirius. Zodra hij Sirius' huid raakte, was het alsof hij een ruk achter zijn navel kreeg en geen adem meer kon krijgen. De omgeving om hem heen verdween, om langzaam plaats te maken voor felle kleuren die voor zijn ogen draaiden. Alles leek te draaien en het was alleen aan het feit dat Sirius zijn arm stevig had vastgegrepen te danken dat Remus niet omviel. Zijn laatste maaltijd kwam weer omhoog.
      Het eerste dat hem opviel toen de wereld eindelijk gestopt was met draaien, was het felle licht. Overal waren kleuren, geuren, geluiden. De lucht was helderblauw en het gras kietelde zijn blote voeten. Om schoenen had hij nooit gegeven. Remus had nog nooit zoiets moois meegemaakt.
      Langzaam draaide hij rond om alles zo goed mogelijk te zien. Hij voelde warmte op zijn huid. De wind liet zijn krullen dansen. Dit moest zijn hoe het buiten was. Hij zakte op zijn knieën en streek met zijn handen over het zachte gras. Hoewel hij zich er zelf niet van bewust was, stond er een ongelovige glimlach op zijn mond.
      "Mooi is het hier, nietwaar?" De stem van Sirius verbrak Remus' trans. De man stond op de plek waar Remus hem achtergelaten had toen hij onbewust rondes door het open veld was gaan lopen. Hij knielde neer en plukte een bloem, waar hij aan rook voor hij hem naar Remus stak. Remus liep voorzichtig naar hem toe. Hij pakte de bloem aan en bracht hem aarzelend naar zijn neus. Hij rook zoet aan. Het was een geur die hij niet kon identificeren. Bloemig.
      Sirius ging zitten in het gras en Remus volgde zijn voorbeeld. Sirius wees naar een oude boom die iets verderop stond. De boom was zwartgeblakerd, alsof hij ooit in brand gestaan had. Zijn bast was verdwenen en er groeiden geen bladeren meer aan zijn dikke takken. Het enige leven dat Remus kon ontdekken, waren de klimplanten die langzaam de boom aan het overwoekeren waren. De boom was zo dik dat twee man samen hem waarschijnlijk nog niet eens konden omvatten. Ooit was hij vast een machtige verschijning geweest. Nu was het slechts een skelet van zijn vroegere schoonheid.
      "Ik herinner me nog dat die boom elke zomer in volle bloei stond. Reg en ik klommen er altijd in. Het was onze plek. Wat waren tijden toen anders. Wie had kunnen denken dat geen van ons drieën de oorlog zou overleven?" Remus bleef stil, net zoals Sirius. Beiden waren verzonken in gedachten. Remus kende de naam Reg niet, maar de toon waarop Sirius de naam uitsprak, maakte duidelijk dat Reg hem dierbaar was. Of was geweest. Dat hing af van hoe 'de oorlog overleven' geïnterpreteerd moest worden.
      "Het is vandaag de dag dat de oorlog officieel beëindigd werd. Is dat geen reden voor een feestje? Moeten we niet vieren dat de vele opofferingen ervoor gezorgd hebben dat Voldemort verslagen is?" Hij had de woorden niet bitterder uit kunnen spreken. Hij haalde een halfvolle fles drank tevoorschijn. Het was niet moeilijk te raden voor Remus waar de andere helft van de inhoud gebleven was.
      Hij reikte naar Sirius' hand en gaf er een kneepje in. De man, die in de verte had zitten staren, keek nu naar hem alsof hij niet door had gehad dat hij hier ook gezeten had. "Maar dat zegt jou niks, nietwaar beest? De oorlog, Voldemort... je hebt geen idee waar ik het over heb." Remus had in zijn kooi niet meegekregen wat er in de buitenwereld gebeurde, daar had Sirius gelijk in. Maar het klonk als iets belangrijks. Hij gaf nog een kneepje in Sirius' hand.
      Zonder aankondiging trok Sirius hem naar zich toe, zodat Remus half in zijn armen viel. Tijd om zich te herstellen kreeg Remus niet. Sirius' lippen vonden de zijne. Dwingend. Hongerig. Er zat geen enkele vorm van genegenheid in, eerder het tegenovergestelde. Het was een gevecht om dominantie, om alles te vergeten voor een moment, zoals hun lichamen tegen elkaar drukten, hun lippen aan elkaar geplakt zaten.
      Remus dacht er niet eens aan om te vechten.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here