Eén kus veranderde in twee. Twee in drie. Kussen veranderde al snel in meer. Binnen een week lagen de mannen samen in bed. Het was niet liefdevol te noemen, niet teder of zelfs gepassioneerd. Het was eerder een verlenging van hun stille gevecht. Wanneer ze elkaar aanraakten, was het ruw. Remus' vingerafdrukken waren zichtbaar in de blauwe plekken die over Sirius' lichaam verspreid waren. Sirius' tanden stonden in Remus' nek. Het was een oorlog. Misschien was dat ook waarom Sirius zich er zo goed bij voelde. Oorlog was het enige wat hij ooit gekend had.
      Hij wilde Remus meer en meer. Hij wilde de kracht van de wolf voelen als hij hem tegen het bed duwde. De pijn als Remus' nagels in zijn huid werden begraven. Hij had nog nooit iets ervaren wat hem zo in beroering bracht. Het was als een verslaving. Elke keer dat hij Remus zag, moest hij zich inhouden de wolf niet te bespringen, om die kick terug te krijgen.
      Het huis had hij die week niet verlaten. Hij kon niet weg bij zijn drugs. Hij sliep amper en lag alleen maar te malen over hoe hij ooit zonder Remus had gekund. Tot tweemaal toe was hij opgestaan die week om naar de ruimte te lopen waar Remus was. Hij had een eigen kamer gekregen, een van de kamers beneden die ooit gebouwd moest zijn geweest voor een bediende, maar toen het huis in handen van de Blacks was gekomen, was die kamer leeg komen te staan. De Blacks werkten met House Elfs natuurlijk, niet met menselijke bedienden. Daar had hij staan kijken hoe Remus in het grote bed lag. Zelfs met zijn lange ledematen die over de rand van het bed staken, leek hij nog mager en klein, zoals hij ingegraven tussen de vele kussens lag. Het bed droeg nu al veel herinneringen. Hij had Remus wakker willen maken en bij hem in bed willen kruipen. Beide keren was hij teruggekeerd naar zijn bed.
      Eten lukte hem amper meer. Hij keek toe hoe Remus at en beeldde zich in wat die mond allemaal nog meer kon doen. Zijn eetlust was simpelweg verdwenen en zelfs als Remus in een andere kamer was, kon hij zich er niet op focussen. Hij had geen eten nodig. Hij had genoeg aan Remus.
      Wanneer hij in de spiegel keek, herkende hij zichzelf amper terug. Zijn gezicht begon al in te vallen. De donkere wallen onder zijn ogen werden met de dag groter en zijn huid was te bleek. Het gaf hem een haast ziekelijke uitstraling. Zijn haren hingen onverzorgd langs zijn hoofd. Het was altijd zijn grote trots geweest waaraan hij meer aandacht besteed had dan echt nodig, tot groot vermaak van James. Nu kon hij zich er simpelweg niet meer toe zetten. Maar het grootste verschil in hem waren zijn ogen. Er stond een koortsige, haast opgejaagde glans in zijn ogen. Waar ze eerst doffe grijze vlakken waren geweest, leken ze nu constant een andere kleur te hebben. Ze stonden niet meer doods. Voor het eerst in tijden zat er weer leven in.
      Dit moest zijn hoe een koning zich voelde, dacht Sirius. Nee, geen koning. Een god. Was hij immers niet een god? Degene die Remus zijn leven had geschonken? Zonder hem zou Remus dood zijn gegaan. Hij was degene die Remus alles gegeven had wat hij nu had. Een huis, zijn kleding, zijn voedsel. Alles was afkomstig van de genade van Sirius. Hij had het recht om te bepalen over het leven dat hem toebehoorde.

      Hij had al snel gemerkt dat de wolf niet kon lezen, zelfs al wilde hij het niet laten merken. Meerdere keren had hij al gezien hoe Remus met zijn vinger de krullerige letters op het wandtapijt met de stamboom van Huize Black gevolgd had, om vervolgens van de schilderijen naar zijn hoofd geslingerd te krijgen dat zo'n halfbloed van dat waardevolle erfstuk af moest blijven. Juist die woorden hadden ervoor gezorgd dat Sirius nog meer genoot van de blik van de bedachtzame wolf die alles deed wat niet mocht volgens de standaard. Moeder moest hem nu eens zien! Zo met een monster in huis. In bed. Als ze niet al overleden was geweest, zou ze spontaan een hartstilstand hebben gekregen. Die gedachte alleen zorgde al voor een grijns op zijn gezicht. Moeder had hem geleerd dat je anderen moest bezitten, dat je zelf geen bezit mocht zijn. Hoe je kon krijgen wat je wilde. Dat de Blacks de wereld beheersten en altijd hun zin zouden krijgen ongeacht hoe bijzonder hun wens was. Deed hij nu niet precies wat Moeder hem verteld had?
      Hij was naast Remus gaat staan, handen achter zijn rug gevouwen en net iets meer rechtop nu de priemende blik van Moeder hem vanuit het was aanstaarde. Misschien realiseerde hij zich zelf niet eens dat hij dat deed.
      "Bellatrix," zei hij met zijn blik op de persoon die Remus bekeek. Hij pakte de hand van Remus en trok samen met de wolf een lijn over de letters met hun vingers. "B-E-L-L-A-T-R-I-X." Hij keek zeer geconcentreerd en hoewel hij geen blijk gaf dat hij naar Sirius luisterde, wist Sirius dat zijn oren gespitst waren. "Mijn nicht. Ze heeft na de oorlog een enkeltje Azkaban gekregen."
      Remus richtte zich op het volgende gezicht en alles herhaalde zich weer. Sirius noemde de naam en spelde het uit. Remus volgde de letters, al dan niet begeleid door Sirius. Eventueel volgde er een anekdote over het betreffende familielid, over waarom ze van het tapijt gehaald waren, over de kippen die ze altijd meenamen naar alle belangrijke besprekingen, over de hoogtepunten van hun carrière of bij de weinige levende leden over hun huidige status. Azkaban.
      Uiteindelijk kwam Remus dan toch aan bij de zwarte stip die Sirius al tijden aan had gestaard. "Sirius," fluisterde Sirius. Een brok vormde zich in zijn keel. "S-I-R-I-U-S." In plaats van de letters te volgen zoals hij constant gedaan had, streek Remus over de brandplek waar ooit Sirius' hoofd had gestaan, als om te vragen wat er gebeurd was. Sirius antwoordde niet. Hij kon zich de dag dat hij van het tapijt gebrand was nog als de dag van vandaag herinneren. Zestien jaar was hij geweest. Het bloed had van zijn rug gedropen toen hij daar op de grond gelegen had en Moeder haar toverstok gepakt had om hem weg te branden. Hij was geen zoon van haar, had ze hem verteld. Als hij niet meteen weg was gegaan, zou hij waarschijnlijk nooit meer weg kunnen gaan. Of bewegen. Of ademen. Dan had hij in het rijtje voorvaderen gekund. Dood. Dood, dood, dood.
      Uiteindelijk ging Remus dan toch verder, nu hij geen antwoord kreeg. Zijn vinger gleed naar het portret van de jongen naast Sirius. Het had Sirius zelf kunnen zijn.
      Opnieuw zei Sirius niks. Ditmaal noemde hij zelfs niet de naam of spelde de letters uit. De brok in zijn keel leek alleen maar groter te worden. Hij wilde het wel. Hij wilde wel meedoen met hun spelletje en namen noemen die niks meer voor hem betekenden afgezien een stomme anekdote waarin niemand geïnteresseerd was. Maar hij kreeg de naam niet over zijn lippen.
      "Dat is genoeg voor vandaag," zei hij. Zijn stem klonk hem hard en onbekend in de oren. Remus keek vragend opzij. Sirius staarde strak naar het tapijt.
      "Ga maar terug naar je kamer. Kreacher zal het eten zo klaar hebben." Het was de eerste keer dat Sirius Remus de kamer uit stuurde en even leek het erop dat Remus niet zou gehoorzamen, maar een korte blik opzij was genoeg om hem toch te dwingen.
      Pas toen hij de deur dicht hoorde vallen, bewoog Sirius weer. Langzaam hoef hij zijn hand, om de gouden letters te volgen. Ze waren de meest recente letters en het was een van de weinige namen waar de draadjes nog niet los hingen.
      Regulus. R-E-G-U-L-U-S.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here