“What a wicked game you play,
To make me feel this way.”

Justine Heidi Harbours

Met een diepe zucht roer ik in mijn kom. De soep draait mee met de slag van mijn lepel, rond en rond en rond. Er ontstaat zelfs een kleine tornado als ik harder begin te roeren. De tornado lijkt een beetje op de veranderingen in mijn leven die in de laatste paar dagen zijn aangebracht door de man die mijn vader moet voorstellen. Ik kan me voorstellen dat de tornado van Ariel niet in een simpele kom past, maar meer thuishoort in een zwembad op z’n minst.
      ‘Dat ruikt lekker!’ roept onze vader luid door de kamer.
      De kamer is nog vrij leeg, echoot daarom nog behoorlijk en zorgt ervoor dat ik van schrik op kijk van mijn kom. Ik draai me direct om, mijn handen in elkaar gevouwen achter mijn rug en mijn ogen gericht op de puntjes van mijn schoenen. Ik voel hoe al mijn spieren zich aanspannen, klaar om een klap op te vangen, terwijl ik mezelf mentaal een klap geef. Ik wist dat Ariel pap zou halen voor het eten en toch liet ik mezelf toe om mijn gedachten af te laten dwalen.
      ‘Kom meiden, aan de tafel,’ zegt mijn vader. Hij klapt in zijn handen en synchroon krimpen Arial en ik ineen.
      Ik pak mijn kom en ga naast mijn vader zitten, zodat Ariel deze keer het geluk heeft dat ze tegenover hem kan zitten. En tegenover mij, zodat ik haar kan gebaren wat pap zegt, zonder dat hij het doorheeft.
      ‘Eetsmakelijk,’ zegt onze vader, nadat hij zijn soepkom van Ariel gekregen heeft.
      Ariel neemt plaats en kijkt me vanonder mijn wimpers aan. Met dezelfde verontwaardigde uitdrukking op mijn gezicht kijk ik terug. Normaal eten wij altijd in de woonkamer of in onze slaapkamer of in ieder geval ver weg uit paps gezichtsveld en alleen als er toevallig vrienden blijven of wanneer er vrienden van mijn vader zijn, eten we aan de tafel alsof we een gezin zijn. En nu, ondanks dat er geen mensen of camera’s zijn, eten we samen als een gezin. Een behoorlijk verknald gezin.
      ‘Meiden, ik heb gebeld naar de lokale middelbare school en ze willen jullie graag ontvangen. De secretaresse zal ervoor zorgen dat jullie vanaf morgen jullie boeken op kunnen halen in de bibliotheek. Vrijdag is jullie eerste dag,’ ratelt mijn vader aan één stuk door. Hij heeft de geërgerde blik die Ariel me vanonder haar wimpers stuurt niet door en als ze hem met de meest hatelijke blik ooit aankijkt, is het enige wat hij doet slurpen van zijn soep.
      Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook niet blij ben met paps plan. Vrijdag is over twee dagen, wat betekent dat we twee dagen hebben om onze boeken op te halen en van alles en nog wat uit te pakken, maar ik weet wel beter dan de uitdrukking van Ariel op mijn gezicht te laten zien.
      ‘Klinkt als een perfect plan,’ antwoord ik monotoon. Ineens herinner ik me dat ik die zin al eerder heb gebruikt en dat ik de volgende keer wat anders moet verzinnen, voordat vaders daar nog iets van verdenkt.
      Ariel knikt instemmend, al ziet het er halfslachtig, vermoeid en geïrriteerd uit. Ik hoop vurig dat onze vader het niet door heeft en inderdaad gaat hij gewoon door met het eten van zijn soep.
      Ik maak een mentale notitie om Embry vanavond een berichtje te sturen met de vraag waar de bibliotheek is en omdat Ariel dan waarschijnlijk iets heeft om enthousiast over te zijn. Dat is het minste wat ik haar kan gunnen.
      ‘Zijn jullie bedden al opgemaakt?’ vraagt onze vader met opgetrokken wenkbrauwen. Zijn koude, grijze ogen glijden van Ariel naar mij en weer heen en weer, een afwachtende uitdrukking op zijn gezicht.
      Ik versteen en ik zie vanonder mijn wimpers dat Ariel hetzelfde doet. Ik wist dat we iets vergeten waren en nu weet ik wat. En het betekent niets goeds.
      ‘Nou?’ vraagt mijn vader. Zijn stem klinkt al stuk ongeduldiger dan eerst en ik heb zo’n vermoeden dat het gezinssfeertje, die er al amper was, zo compleet gaat verdwijnen.
      ‘Dat zijn we vergeten, pap,’ antwoord ik zachtjes, mijn stem amper luider dan een fluistering.
      ‘Oké.’
      Abrupt schuift mijn vader zijn stoel naar achter en staat hij op. Een seconde later klinkt het geluid van een klets door de kamer en voel ik een brandende pijn opkomen op de plek waar mijn schedel begint. Mijn nek begint ook te branden, maar ik geef geen kik. Inmiddels is de pijn zo bekend, dat ik me ervoor kan afsluiten. Net zoals een monnik leert hoe hij zich moet focussen op één ding, of eigenlijk, op niets, heb ik mezelf geleerd om op alles behalve de pijn te focussen.
      Ik zie hoe Ariel beschaamd haar ogen afwend naar haar soepkom, die nog halfvol zit. Ik weet echter dat ze er niets meer van gaat eten en ik voel me schuldig. Ze heeft dingen gezien die ze niet zou mogen zien, die niemand zou mogen zien, maar zeker niet zo’n jong, onschuldig meisje als mijn zusje die nog geen vlieg kwaad kan doen.
      ‘Verdwijn uit mijn zicht!’ buldert mijn vader. Zijn stem is zo hard en kil en emotieloos en gewoon hard, dat Ariel helemaal ineenkrimpt, voordat ze niet weet hoe snel ze op moet staan en naar onze nieuwe slaapkamer moet vluchten.
      Ik volg haar voorbeeld, maar met iets meer controle, al wil ik niets liever dan uit het zicht van die verschrikkelijke man. Een nieuw begin? Dat zit er waarschijnlijk niet meer in.
      Zodra ik in de nieuwe kamer sta, sluit ik de deur achter me en laat ik me via de deur naar beneden zakken. Mijn ogen dwalen naar Ariel, die als een snikkend hoopje op een van de onopgemaakte matrassen ligt en ik voel een steek in mijn hart van medelijden. Arm kind.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen