Hoofdstuk 1

Het is vakantie, is het eerste wat in me opkomt als ik wakker word. Ik open mijn ogen en geniet van de warme zonnestraal die door het gordijn piept en op mijn gezicht valt. Geen stress, geen deadlines, geen wekkers. Twee maanden lang geen school. Wat een luxe! Ik werp een blik op de oude klokradio die naast mijn bed staat. Negen uur al?! Ik moet echt oververmoeid geweest zijn, ik word nooit zo laat wakker. Ik slinger mijn benen uit bed en ga snel rechtstaan. Te snel. Alles wordt zwart door het plotselinge drukverschil en ik wil mijn nachtkastje vastgrijpen om niet om te vallen. In mijn haast grijp ik echter de klokradio vast, die met een luide klap op mijn teen belandt. Ik vloek luid als mijn zicht weer terugkomt en mijn teen begint te bonzen. Ik staar naar beneden om de klokradio in stukken uiteen op de grond te zien liggen. Verdorie. Allemaal pa’s schuld. Ik heb zijn lompheid geërfd en dat is ook het enige wat ik van mijn ouders heb. Mijn ogen zijn niet bruin zoals ma’s, niet staalblauw zoals pa’s. Mijn haar is niet krullerig en bruin zoals dat van ma of blond zoals dat van pa. Ik werp een blik naar de andere kant van mijn kamer. Een zeventienjarig meisje met stijl, rood haar en felgroene ogen kijkt me aan. Ze is slank, maar niet groot, hoogstens een meter zestig, en heeft een paar sproetjes op de bleke huid rond haar neus. Ze heeft een spits gezicht en witte tanden die onnatuurlijk recht staan als gevolg van het jarenlange afzien van een beugel. Wanneer ik mijn hand omhoog breng om erin te hoesten, doet mijn spiegelbeeld dat ook. Ik raap de stukken klokradio bij elkaar en gooi ze in de prullenmand naast de spiegel. Vaarwel, wekker. Ik ga je niet missen, aangezien je al vijf keer bent uitgevallen in het midden van de nacht en me te laat hebt doen komen op school.
Mijn teen doet nog steeds zeer, dus ik hink richting de trap en struikel bijna over een wasmand die voor mijn deur staat. Mama! Ik zucht en daal mankend de trap af. Eenmaal aangekomen in de keuken loopt het water me in de mond door de heerlijke geur van gebakken spek die in mijn richting drijft. Ik vergeet meteen mijn gevoelige teen en neem plaats aan de gedekte tafel, terwijl mijn moeder, onwetend dat ik wakker ben, in een pan vol spek en ei staat te roeren.
‘Goeiemorgen, mama!’ roep ik.
‘Ooh, Robin, je liet me schrikken!’ ze laat haar pan even op het vuur staan om me snel een zoen te geven op mijn voorhoofd en daarna weer snel haar omelet te gaan redden.
‘Waarom heb je me niet wat vroeger wakker gemaakt? Je weet dat ik lang slapen haat. Zo heb je niks aan je dag!’ Ik kijk ongeduldig toe hoe ze haar pan ondersteboven kiepert en het heerlijk ruikende voedsel op een bord gooit. Mijn maag rammelt terwijl mama het bord voor mijn neus zet.
‘Ik heb al ontbeten, tast toe!’
Dat hoeft ze geen tweede keer te zeggen en ik val mijn ontbijt aan. Ik besef nu pas dat ik gisteravond zodanig moe was dat ik simpelweg was vergeten te eten. Stomme examens ook.
Wanneer mijn bord volledig leeg is – wat best een prestatie is, aangezien het vier hele eieren en een hele doos spekblokjes bevatte, leg ik mijn bestek neer.
‘Ik heb afgesproken met Ryan deze namiddag’, deel ik mee en mama knikt.
‘Goed zo, ik mag die jongen wel. Hij is altijd vriendelijk – zwaaide vorige week naar me in de supermarkt’ Ze kijkt me even bedenkelijk aan en gaat dan verder. ‘Wees wel veilig, hè Robin?’
Ik barst in lachen uit. ‘Mam, alsjeblieft’, proest ik, ‘Ryan is gewoon een goeie vriend!’
‘Ja, ja’, mompelt ze, ‘dat dacht ik eerst ook over je vader.’
Lachend ga ik staan en breng mijn bord naar de vaatwasser. ‘Ik ga me omkleden’, deel ik mee, waarna ik de trap op storm, mijn zere teen allang vergeten.
Ik ken Ryan nu ongeveer een jaar – het beste jaar van mijn leven. In het begin van het schooljaar was hij verhuisd van Londen naar hier en sprak hij geen woord Nederlands. Hij liep een beetje verloren in onze grote school en ik had hem mijn hulp aangeboden – hoe moeilijk kon het zijn? Ik keek dagelijks Engelse series. Uiteindelijk was gebleken dat Engels verstaan en Engels spreken twee compleet verschillende dingen waren en had ik mezelf talloze keren voor schut gezet. Ryan was echter opgevoed als een gentleman en lachte de foutjes weg. Hij was me zeer dankbaar voor mijn hulp en doorheen het jaar waren we heel vaak samen. Er was veel geroddeld over hoe ik ‘een knappe Engelsman aan de haak geslagen had’, maar ik wist wel beter. Ik had geen romantische gevoelens voor Ryan en hij ook niet voor mij. We waren gewoon hele goeie vrienden. Hij had me veel verteld over het leven in Londen en zijn familie, hoe een grote ruzie hen afgesplitst had van hun eigen bloed en hij daarom samen met zijn vader hierheen was verhuisd. Ondertussen kent hij al genoeg Nederlands om een normaal gesprek mee te voeren, hoewel hij toch nog vaak terugvalt op zijn moedertaal.
Ik maak me klaar – douche, poets mijn tanden, droog mijn vuurrode haren – en denk aan wat we straks gaan doen, Ryan en ik. Hij had me gisteren gezegd dat hij een verrassing voor me had en dat ik om elf uur in het bos moest zijn, op ons plekje. Ons plekje was niet erg bijzonder, gewoon twee omgevallen eiken die met hun kruinen op elkaar liggen en verscholen worden achter grote braamstruiken. Er was voldoende ruimte om een picknickdeken te leggen op het kleine stukje gras dat nog vrij was, en als je daar zit, kan niemand je ooit vinden. We hebben het twee maanden geleden toevallig ontdekt terwijl we Pascal, Ryans hond, achtervolgden terwijl die een eend probeerde te grijpen. Sindsdien kwamen we er om de paar dagen samen om te praten of huiswerk te maken.
Wanneer ik helemaal klaar ben, huppel ik naar beneden – waarbij ik mijn elleboog tegen de trapleuning stoot, wat resulteert in weer een prachtige reeks vloeken. Ik roep dat ik weg ben richting de keuken, wat gevolgd wordt door een ‘Veel plezier!’, en sluit de voordeur achter me. Een warme bries laat mijn pas gedroogde haar opwaaien en ik snuif de zalige zomerlucht in. Ik ruik de vage, zoetige geur van kersen en vers gemaaid gras en adem gulzig nog een paar teugen in. Terwijl ik mijn fiets neem, die tegen de gevel staat, kijk ik tevreden even rond. Ik vind dat we hier prachtig wonen. Ons huis staat een dertigtal meter van de straat verwijderd en de geplaveide oprit bevindt zich rond een groot gazon met één enkele treurwilg op. In de berm langs de straat staan diverse fruitbomen die mijn opa in zijn jonge jaren nog heeft geplant en de vogels zingen terwijl ik op mijn fiets stap en wegrij.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen