Foto bij 116. - Lucien

Mijn hoofd zwemt in dingen waar ik niks mee kan. De zorgen over Emmeline en Eschive overheersen alles. Ik vermoed dat Emma veel getraumatiseerder is dan ze laat zien. Haar kennende verbergt ze dat voor mijn welzijn. Niet dat ik haar dat kwalijk kan nemen; ik zou precies hetzelfde doen.
Halverwege de middag staat het kleine leger van vijfenzeventig man klaar voor vertrek. Dat is meer dan ik had gevraagd, waarschijnlijk als poging tot verzoening, maar op dit moment is voor verzoening geen ruimte in mijn hoofd. De Koning heeft officieel het commando aan mij overgedragen. Zelf gaat hij niet mee. Hij heeft een land te regeren en bevelen van de Franse kroonprins op te volgen. Emma heb ik niet meer gezien. Normaal zou ik niets liever willen dan haar tot het laatste moment in mijn buurt hebben. Zij is degene die me rust brengt, die ervoor zorgt dat ik helder blijf nadenken. Maar nu herinnert haar aanblik me er alleen maar aan wat er op het spel staat: iemand van wie ik meer houd dan van mezelf.
De schildknaap trekt het laatste stuk van mijn harnas strak aan en hangt mijn zwaard, samen met twee vlijmscherpe rapieren. Nog een gift van de Portugeese koning. Hij had ze willen bewaren tot mijn verjaardag, speciaal voor mij gemaakt, maar besloot dat dit een beter moment was. Aan het zadel van mijn paard hangt een handboog en een kruisboog. De rest van het legioen is eveneens tot de tanden toe bewapend. Niemand weet of we terugkomen, of met hoeveel. Er is afscheid genomen van vrouw en kinderen.
Ik hijs me op mijn paard. De poort wordt voor ons op geheven, valt in zijn slot met een klap. Na een laatste check of iedereen klaar is om te gaan, spoor ik Furacão aan. Het paard schiet meteen in een soepele galop. Zijn hoeven ratelen op het houdt van de ophaalbrug. Eén van de verkenners van deze ochtend is net, een halfuurtje voor vertrek, teruggekomen om ons de weg te leiden. Het duurt niet lang voordat hij me inhaalt. Ik volg hem, biddend dat we Eschive ongedeerd terugvinden.

We rijden tot de paarden niet meer kunnen. Een aantal van onze mannen gaan alsnog vooruit met fakkels om te zien of ze sporen kunnen vinden. Het is diep in de nacht, maar slapen lukt me niet. Ik hou korte gesprekken met de mannen die mee zijn gekomen, maar niemand kan me meer vertellen over het haviksembleem. Uiteindelijk slaap ik toch in, zittend tegen een boom en starend naar de vlammen van het vuur.
Bij het ochtendgloren zijn nog twee verkenners teruggekeerd. De rest van hen zit de indringers op de hielen en heeft tekens achtergelaten voor ons om te volgen. Over Eschive hebben ze geen informatie. Zo snel mogelijk breken we kamp zodat we verder kunnen. Alle mannen volgen gedwee. Er begint een schuldgevoel te knagen. Was mijn reactie overdreven? Was ik te fel, wilde ik teveel voor de achtervolging? Ik bespreek mijn zorgen met Joam, de commandant als de Koning - of in dit geval Prins - er niet bij zou zijn. Hij schudt zijn hoofd. Met een zwaar accent spreekt hij Frans. "Uw reactie was, en is, volkomen begrijpelijk. Het is uw zuster. Ieder ander had op eenzelfde manier gereageerd."
Ik knik bedenkelijk. "Misschien heb je gelijk. Hoe heb je Frans geleerd?"
Hij glimlacht heimelijk. Hij vertelt me een verhaal dat hij ooit uitgezonden is naar Frankrijk voor een kleine slag vlakbij Lourdes. Daar ontmoette hij een meisje, maar dat sprak alleen maar Frans. Hij deed zijn best om in korte tijd genoeg Frans te leren om haar het hof te maken. Dat lukte hem, en uiteindelijk bleef hij twee jaar bij haar in Frankrijk tot ze stierf aan de pest. Ik ril. Het is jaren geleden sinds we een uitbraak van de pest hebben gehad, maar het ligt altijd op de loer. Na haar dood kwam hij terug naar Portugal en wist hij zich te promoveren tot Koninklijke commandant. Het is fijn om iemand te hebben die mijn eigen taal verstaat. Het lijkt de hele situatie iets meer te verstommen. Hij doet me denken aan Winoc, wat weer minder welkom is - voor het eerst sinds mijn aankomst in Portugal voel ik me ontzettend eenzaam en verlang ik naar niets anders dan thuis.

Er gaan tweeëneenhalve dag voorbij voordat ik ze voor het eerst zie. Ze zijn nog ver weg, maar over de kale heuvels is hun groepering duidelijk te zien aan de horizon. Het vult mij en de mannen met nieuwe energie. Om te voorkomen dat we worden gezien verspreiden we. Het plan is heel simpel: vanavond, even na middernacht, vallen we aan. Iedere vijand mag om, behalve de mannen die voldoen aan Emma's beschrijving en de mannen die ik Eschive zag meenemen. Eschive heeft de hoogste prioriteit. Als er een kans is om haar te bevrijden en in veiligheid te brengen, moet die kans met beide handen worden aangegerepen.
In kleine groepjes verbergen we ons in een dal en bereiden ons voor op de aanval. De verkenners volgen nog steeds, maar lieten al weten dat de groep niet had gerekent op een grote achtervolging zoals deze. De hoge snelheid waarmee ze moeten vluchten zorgt dat hun ratsoenen opraken en hun paarden vermoeid. Mijn mannen zijn ook vermoeid, maar weten waar ze voor vechten. Er is regen voorspeld. In de droge heuvels maakt dat de weg gevaarlijk - paard en man kunnen hun voeting verliezen en gevaarlijk gaan glijden in de modder. Dat werkt in ons voordeel. Het lijkt erop dat al mijn gebeden van de afgelopen dagen toch hebben geholpen. Ik beloof mezelf een dag door te brengen in de kapel om God te danken als ik en Eschive hier allebei levend uitkomen.
De avond valt. Een lichte miezer valt op ons neer. De mannen maken zich klaar voor de aanval. In het donker gaan we zo stil mogelijk richting de vijand, nog steeds verspreid in kleine groepen. De verkenners hebben ons een basale uitleg van het kamp gegeven. Blijkbaar zijn er onderweg veel gewonden gesneuveld, waardoor de groep is uitgedund tot een groep van vergelijkbare grootte als die van ons. Als ze, net zoals de mannen die mij aanvielen, niet optimaal getraind zijn, zijn wij in het voordeel. Als we naderen, realiseer ik me pas echt wat er op me staat te wachten.
Ik sla een kruis, fluister de namen van Emma, mijn moeder, de rest van mijn familie - alle mensen van wie ik houd. Ik bid Aleran om bescherming vanuit het hiernamaals. Om me heen zie ik mannen hetzelfde doen. Eén van hen zie ik met de kralen van een Rozekrans door zijn vingers gaan terwijl hij de gebeden prevelt. In gedachten ga ik het sluitend gebed na.
O Dieu dont le Fils unique, par sa vie, sa mort et sa resurrection, nous a merite, les recompenses du salut eternel,
Ik check de zwaarden aan mijn riem. Mijn eigen zwaard en één rapier.
faites que, meditant ses mysteres dans le tres saint Rosaire de la bienheureuse Vierge Marie.
Mijn pijlenkokers zijn gevuld. Er hangen er twee op mijn rug. Mijn boog hangt over mijn schouder, klaar voor gebruik.
nous mettions a profit les lescons qu'ils contiennent afin d'obtenir ce qu'ils nous font esperer.
In het duister, met alleen het licht dat de vuren in het kamp van de vijand ons geeft, zie ik hoe een aantal mannen dichterbij sluipt - naar de buitenste wachten van het kamp. Ik hou mijn adem in.
Par la meme Jesus-Christ, votre Fils notre Seigneur.
Ze zijn snel. Voor er ook maar één schreeuw geuit kan worden, wordt hen de keel doorgesneden.
Amen.*
Het duurt niet lang voordat onze komst wordt opgemerkt. Door het hele kamp reizen strijdkreten naar de lucht. Binnen een minuut sinds we de eerste wachten ombrachten, barst de strijd los. Ik ben hier maar met één doel: Eschive vinden. De mannen weten dat. Waar ze kunnen, helpen ze me de weg vrij te krijgen. Eschive wordt in het midden van het kamp gehouden, maar met tachtig man wordt een kamp snel groot. Het gekletter van zwaarden om me heen verstompt alle gedachten in mijn hoofd. Hoeveel mannen ik neerhaal in mijn pad, weet ik niet. Misschien wel geen. Misschien verbeeld ik het me maar. Ik word meermaals tegen de grond gewerkt, bevochten met drie man tegelijk maar de mannen van de Koning bewijzen hun trouw en schieten me telkens te hulp als ik in het nauw wordt gedreven. De geur van bloed vult al snel de omgeving. Hoe lang kan een slag met honderdvijftig man duren? Hoeveel tijd gaat er voorbij? Er is geen ruimte voor in mijn hoofd, ik kan alleen maar blijven zoeken naar...
Mijn hart zinkt me in de schoenen. Ik heb het midden van het kamp bereikt - een groot vuur met daaromheen zitplaatsen en naast de grootste tent een paal, overduidelijk gebruikt om iemand aan vast te binden. De ijzeren kettingen hangen er nog. Eschive is nergens te bekennen.
Veel tijd om er over na te denken heb ik niet. Joam schreeuwt een waarschuwing dat ik van achteren wordt aangevallen door twee man en ik weet maar net op tijd op zij te duiken. De regen is heftiger geworden in de afgelopen paar minuten, en ik glijd door de modder. Ik spuw de zooi uit mijn mond en rol op mijn rug, net op tijd om toe te kijken hoe Joam zijn zwaard door de rug van mijn aanvaller jaagt. Hij helpt me overeind. Ik wil hem bedanken, maar hij schudt zijn hoofd. "De mannen zeiden dat ze iemand te paard naar het oosten zagen vluchten." zegt hij. "Het meisje zat vastgebonden voor hem." De regen druipt langs zijn gezicht, vermengt met bloed dat zowel van hemzelf als van anderen is. Mijn hart gaat duizend slagen per seconde. Joam is sneller dan ik.
"Neem een van hun paarden. Ze staan vastgebonden aan de noordkant van het kamp. Ga hem achterna. Als hij in zijn eentje ontkomt, zullen we hem nooit meer vinden."
"Maar..."
Hij grijnst zo breed naar me dat ik mijn woorden vergeet. "Wij hebben ergere oorlogen gevochten, prins Lucien. We redden ons. Ga!"
Ik ga.
In een waas vind ik de paarden. Ik pak de eerste de beste en bestijg hem, om hem vervolgens aan te sporen tot het uiterste. Het zeikt van de regen, maar de wolken zijn verdeeld genoeg geraakt om maanlicht door te laten. Ik race in de richting die me verteld is, in de hoop een glimps van hem op te vangen. Na wat een eeuwigheid lijkt, zie ik zijn schaduw over een van de heuvels. Ik spoor mijn paard opnieuw aan, schreeuw in de nacht uit pure frustratie. De ruiter ziet me al snel. Zelfs hier, door alle regen heen, hoor ik de vervloeking die hij naar me roept. Het water uit de hemel spoelt hem zonder me te vertragen van me af.
En dan....
"LUCIEN!"
De adrenaline raast door mijn lijf. Eschive, ze leeft nog! Ze is oké genoeg om mijn naam te roepen. Ik ben sneller dan de ruiter, die minder ervaring te paard lijkt te hebben. Mijn paard klimt de heuvel op. Nog maar een kleine honderd meter tussen mij en de ruiter, en de hemel zij dank lijkt hij vast te zitten met zijn paard! Hij sjort en sjort, maar komt niet meer van zijn plek. Ik jaag mijn hielen in de flanken van het paard, dat hinnikt en nog sneller probeert te gaan, en...
Hij glijdt weg. Zijn hoeven vinden geen grip meer in de gladde modder en hij valt, met mij er bovenop. Ik vloek en probeer mezelf te redden door me uit het zadel te duwen. Ik rol door de modder tot het einde van de heuvel. Het paard hinnikt en rolt, heeft moeite om weer overeind te gaan staan, maar het leeft nog. Het paard van de ruiter heeft zich ondertussen losgetrokken; ze zijn weer in beweging.
"NEE!" schreeuw ik tegen de wolken. Ik ruk mijn boog van mijn rug en leg een pijl op de pees. In de hoop dat de regen de baan niet teveel verstoort, richt ik.
Het paard steigert als ik hem vol in een van de achterbenen raak. Ik schiet een tweede pijl, dat hem in de achtervlak raakt. De ruiter valt, en nu pas zie ik dat hij Eschive in zijn armen heeft geklemd. Ze vecht niet terug, wat me laat denken dat ze nog steeds is vastgebonden. De ruiter vloekt, krabbelt overeind en probeert weer op zijn paard te klimmen. Een derde pijl voorkomt dat dit paard nog maar een stap zet. Met een gorgelend geluid stort het beest ter aarde, nadat de pijl hem in de hals heeft geraakt. Vloekend gooit de ruiter zijn gijzelaar op de grond en trekt zijn zwaard. Ondertussen heb ik het grootste deel van de afstand tussen ons overbrugd. Er ligt een pijl klaar op mijn pees. De man weet beter dan stil te blijven staan en blijft links en rechts bewegen zodat hij een moeilijk doelwit wordt. Ik schiet, maar mis. Mijn pols krijst van de pijn - ik ving er de klap mee op met de val van het paard. Ik weet niet zeker hoe lang ik kan blijven schieten.
De ruiter lacht en trekt Eschive overeind uit de modder. Hij sist wat naar haar: het Portugese woord voor hoer. Ik wil een volgende pijl naar hem schieten, maar hij gebruikt mijn zusje als schild. Haar hele lijf schokt van het huilen. De man zet het zwaard tegen haar keel.
"Laat de boog vallen." beveelt hij in het Portugees. Ik luister niet. "Ik snijd haar verdomme de keel door! Laat de boog vallen!"
Eschive schudt dwingend haar hoofd. "Ne pas, Lucien, ne pas... Tuez-le!" Ze gilt als de man een kleine snee maakt in haar keel als teken dat ze stil moet zijn. Mijn handen beginnen te trillen. Ik weet niet wat ik moet doen. Het is onmogelijk om een veilig schot te kunnen maken als hij Eschive zo vasthoudt.
"Lucien... Frappe-moi dans ma jambe. Ça va le frapper aussi." snikt mijn zusje. Hij schudt haar door elkaar en ze gilt weer, de doodsangst is duidelijk te horen. "C'est la vie. Ça va. Je promets." De gedachte maakt me misselijk. Maar door alle angst heen kijkt ze zo zelfverzekerd, dat ik het bizarre besluit neem om met dit plan mee te gaan.
Ik schiet. De gil van Eschive gaat door merg en been en ik moet moeite doen om het tweede schot goed te richten. De man, eveneens schreeuwend maar bovenal geschokt en afgeleid, heeft het zwaard laten vallen. De pijl schiet door de regen, en boort zich door zijn hoofd. Op slag dood.
Hij laat Eschive vallen - ik laat de boog uit mijn handen vallen en ren naar haar toe. Ze huilt hartverscheurend en probeert haar knevels los te snijden met het gevallen zwaard. Ze kijkt me niet aan, probeert nieuwe tranen te verbijten. Ik duw haar handen weg om de touwen met één haal van mijn eigen zwaard door te halen. Ik breek de pijl zodat ze niet meer aan haar ontvoerder vastgepind zit. Haar schreeuw bezorgt me kippenvel. Maar dan is ze los. Is ze vrij.
Ze kijkt me aan. Ze valt me om de nek en huilt. Ik druk haar zo stevig mogelijk tegen me aan en leg een hand in haar hals zodat ik zeker weet dat ze nog leeft, en ik huil met haar mee.



* "O God, whose only-begotten Son, by His life, death and resurrection, has purchased for us the rewards of eternal life; grant, we beseech Thee, that, meditating upon these mysteries of the Most Holy Rosary of the Blessed Virgin Mary, we may imitate what they contain and obtain what they promise, through the same Christ our Lord. Amen."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen